In deze civiele zaak tussen eiser en gedaagde staat de levering van een onroerende zaak centraal. Eiser vordert levering en beëindiging van het gebruik van het pand als woning, terwijl gedaagde een schadevergoedingsvordering heeft ingediend indien dwangsommen worden opgelegd.
De rechtbank oordeelt dat tot op heden geen dwangsommen zijn verbeurd en dat het risico daarop onvoldoende aannemelijk is gemaakt. De vorderingen van eiser worden afgewezen in conventie. In reconventie wordt eiser veroordeeld om binnen 21 dagen mee te werken aan de levering van het perceel, het gebruik van het pand als woning te staken en bij niet-naleving dwangsommen te betalen.
Daarnaast wordt eiser veroordeeld tot betaling van een bedrag van €18.500,00 plus wettelijke rente en tot vergoeding van de proceskosten van gedaagde. De rechtbank wijst een wrakingsverzoek van eiser af en verklaart het vonnis uitvoerbaar bij voorraad.