Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
[gedaagde 2],
1.De procedure
- het tussenvonnis van 18 mei 2022,
- de akte uitlating van [eiser] .
2.De verdere beoordeling
- dat [gedaagde 1] op 19, 20, 21 en 22 juni 2020 heeft gehandeld in strijd met het vonnis dat de voorzieningenrechter op 31 mei 2019 in kort geding heeft gewezen,
- dat [gedaagde 1] daarom een bedrag van € 20.000,00 aan dwangsommen heeft verbeurd en verschuldigd is aan [eiser] ,
- dat [eiser] om die reden gerechtigd is het vonnis van 31 mei 2019 jegens [gedaagde 1] (verder) te executeren tot een bedrag van € 20.000,00;