ECLI:NL:RBGEL:2022:6713

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
14 december 2022
Publicatiedatum
1 december 2022
Zaaknummer
c/05/393852 / HA ZA 21-501
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:100 BWArt. 6:101 BWArt. 6:119 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Schadevergoeding wegens studievertraging na onrechtmatig handelen onderwijsinstelling

In deze civiele zaak stond de vraag centraal of ArtEZ onrechtmatig had gehandeld jegens de eisende partij en welke schadevergoeding hieruit voortvloeide. In een eerder tussenvonnis was vastgesteld dat ArtEZ onrechtmatig had gehandeld en dat de eisende partij recht had op schadevergoeding wegens studievertraging van €42.275, waarvan 25% voor eigen rekening kwam.

De eisende partij moest vervolgens de hoogte van haar opgebouwde studieschuld en de noodzakelijke studiekosten voor het studiejaar 2018/2019 bewijzen. Zij weigerde echter inzage te geven in haar privé-uitgaven uit privacyoverwegingen en leverde slechts een overzicht aan op basis van algemene richtlijnen en geschatte kosten.

De rechtbank oordeelde dat dit onvoldoende was om de gevorderde schadevergoeding voor de studieschuld te onderbouwen. De eisende partij had niet aannemelijk gemaakt wat haar studieschuld was aan het einde van het studiejaar 2018/2019 en welke studiekosten daadwerkelijk met deze schuld waren betaald. Hierdoor werd de vordering tot vergoeding van de studieschuld afgewezen. De schadevergoeding wegens studievertraging werd echter toegewezen tot een bedrag van €31.706,25, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 21 september 2021.

Daarnaast werd de eis tot rectificatie afgewezen en werd ArtEZ veroordeeld in de proceskosten. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad verklaard.

Uitkomst: ArtEZ wordt veroordeeld tot betaling van €31.706,25 schadevergoeding wegens studievertraging en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Arnhem
Zaaknummer: C/05/393852 / HA ZA 21-501
Vonnis van 14 december 2022
in de zaak van
[eisende partij],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eisende partij] ,
advocaat: mr. L.H. Haarsma te Paterswolde,
tegen
STICHTING ARTEZ,
te Arnhem,
gedaagde partij,
hierna te noemen: ArtEZ,
advocaat: mr. B.M. Paijmans te Utrecht.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 8 juni 2022
- de conclusie na niet gehouden getuigenverhoor van [eisende partij]
- de antwoordconclusie na niet gehouden getuigenverhoor van ArtEZ
- de rolberichten van partijen van 16 november 2022 met het verzoek vonnis te wijzen
- het bericht van de rechtbank van 28 november 2022 over de rechterswissel.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De verdere beoordeling

2.1.
In het tussenvonnis van 8 juni 2022 (hierna: het tussenvonnis) heeft de rechtbank geoordeeld dat (i) ArtEZ onrechtmatig heeft gehandeld jegens [eisende partij] en dat ArtEZ de als gevolg daarvan door [eisende partij] geleden schade moet vergoeden, (ii) 25% van de door [eisende partij] geleden schade voor haar eigen rekening komt en (iii) de schade wegens studievertraging € 42.275,00 bedraagt. In dat tussenvonnis is verder bepaald dat de rectificatievordering van [eisende partij] zal worden afgewezen en is aan [eisende partij] opgedragen te bewijzen:
de hoogte van de door haar opgebouwde studieschuld gedurende het studiejaar 2018/2019, en
de omvang van de noodzakelijke kosten die [eisende partij] heeft gemaakt voor het volgen van de opleiding Crossmedia Design in het studiejaar 2018/2019 en die door haar zijn betaald door aanwending van de door haar opgebouwde studieschuld.
2.2.
[eisende partij] heeft bij conclusie na niet gehouden getuigenverhoor aangevoerd dat zij uit privacyoverwegingen geen nadere onderbouwing en inzage zal geven van haar privé- uitgaven, omdat zij niet wenst dat ArtEZ hiermee bekend raakt. Zij heeft daarom ter onderbouwing van de door haar gemaakte studiekosten voor het studiejaar 2018/2019 een overzicht overgelegd aan de hand van een “Richtlijn kosten kunstonderwijs volgens Rietveld 2021” en “Kosten volgens Nibud (… 2021)” en de werkelijk door haar gemaakte kosten.
2.3.
ArtEZ heeft bij antwoordconclusie aangevoerd dat het tussenvonnis enkele overwegingen bevat die berusten op een onjuiste juridische of feitelijke grondslag en de rechtbank verzocht over te gaan tot herbeoordeling daarvan. Verder voert ArtEZ aan dat het door [eisende partij] overgelegde overzicht met betrekking tot de gemaakte studiekosten voor het studiejaar 2018/2019 niet voldoet om de door haar gevorderde schadevergoeding te begroten, zodat haar vordering op dat punt dient te worden afgewezen.
2.4.
De rechtbank ziet geen reden om terug te komen op de bindende eindbeslissingen in het tussenvonnis. Hetgeen ArtEZ in dat verband heeft aangevoerd is daartoe onvoldoende. Weliswaar is het juist dat ArtEZ ter zake van de vordering tot schadevergoeding wegens studievertraging geen beroep heeft gedaan op verrekening van voordeel ex artikel 6:100 BW Pro maar op de schadebeperkingsplicht van [eisende partij] ex artikel 6:101 BW Pro, maar dat leidt niet tot een ander oordeel. De schadevergoeding wegens studievertraging ziet immers op de schade die [eisende partij] lijdt doordat zij twee jaar later zal toetreden tot de arbeidsmarkt. Niet valt in te zien dat [eisende partij] die schade had kunnen beperken door in het studiejaar 2019/2020 betaald werk te gaan verrichten. Zij vordert immers geen inkomstenderving over dat studiejaar. Van een onjuiste feitelijke of juridische grondslag, die noopt tot herbeoordeling van de gegeven beslissingen, is voor het overige ook geen sprake.
2.5.
De rechtbank is van oordeel dat [eisende partij] met het door haar overgelegde overzicht niet heeft voldaan aan haar bewijsopdracht met betrekking tot de studieschuld. Zo heeft zij niet inzichtelijk gemaakt wat de hoogte is van de door haar opgebouwde studieschuld gedurende het studiejaar 2018/2019. Zij heeft als productie 26 een uitdraai overgelegd van haar studieschuld, maar daaruit volgt slechts dat haar studieschuld eind 2020 € 11.476,71 bedroeg en niet wat de hoogte was van haar studieschuld per einde van het studiejaar 2018/2019. Ook de door haar gemaakte studiekosten heeft zij onvoldoende onderbouwd. Een overzicht uitgaande van algemene richtlijnen is daarvoor onvoldoende. [eisende partij] had dienen aan te tonen welke studiekosten zij daadwerkelijk in dat studiejaar heeft gemaakt en dat die studiekosten door haar zijn betaald door aanwending van de door haar opgebouwde studieschuld. Indien die studiekosten (deels) door haar ouders zijn betaald, is er immers geen sprake van schade die [eisende partij] heeft geleden. Op het overzicht zijn voorts ook kosten vermeld die niet zonder meer als studiekosten kunnen worden aangemerkt, zoals de kosten van levensonderhoud. Die kosten zou [eisende partij] immers sowieso hebben gehad. Dat [eisende partij] niet wil dat haar privé-uitgaven bekend worden bij ArtEZ kan zo zijn, maar dat komt voor haar eigen rekening. Op haar rust immers de bewijslast van (de hoogte van) de door haar geleden schade.
2.6.
Gelet op het voorgaande is [eisende partij] dan ook niet geslaagd in de aan haar opgedragen bewijslevering. De gevorderde schade met betrekking tot de studieschuld zal dan ook worden afgewezen. Dat betekent dat de gevorderde schade tot een bedrag van € 31.706,25 (75% van € 42.275,00 wegens studievertraging) zal worden toegewezen, vermeerderd met de gevorderde en onbetwiste wettelijke rente vanaf 21 september 2021.
2.7.
Niet gesteld of gebleken is welk afzonderlijk belang [eisende partij] nog heeft bij de gevorderde verklaring voor recht, zodat deze zal worden afgewezen.
2.8.
ArtEZ is de partij die grotendeels ongelijk krijgt en zij zal daarom in de proceskosten worden veroordeeld. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisende partij] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
125,09
- griffierecht
85,00
- salaris advocaat
2.785,00
(2,5 punten × € 1.114,00)
Totaal
2.995,09

3.De beslissing

De rechtbank
3.1.
veroordeelt ArtEZ tot betaling aan [eisende partij] van een schadevergoeding van € 31.706,25, te vermeerderen met de wettelijke rente als bedoeld in artikel 6:119 BW Pro over het toegewezen bedrag met ingang van 21 september 2021 tot de dag van volledige betaling,
3.2.
veroordeelt ArtEZ in de proceskosten, aan de zijde van [eisende partij] tot dit vonnis vastgesteld op € 2.995,09,
3.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad,
3.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.J. Peerdeman en in het openbaar uitgesproken op
14 december 2022.