ECLI:NL:RBGEL:2022:6930

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
9 december 2022
Publicatiedatum
13 december 2022
Zaaknummer
21/006395-16
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Overig
Procedures
  • Raadkamer
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:6:25 Sv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Machtiging tot gijzeling wegens niet-nakoming betalingsverplichting ontnemingsvonnis

De rechtbank Gelderland heeft op 9 december 2022 een beschikking gegeven inzake een vordering tot machtiging tot gijzeling ex artikel 6:6:25 lid 1 onder Pro b van het Wetboek van Strafvordering. De officier van justitie verzocht om gijzeling voor 540 dagen wegens niet-nakoming van een ontnemingsvordering van €297.807,00.

Tijdens de openbare raadkamer op 25 november 2022 werd veroordeelde gehoord, die stelde niet in staat te zijn aan de betalingsverplichting te voldoen. De raadkamer constateerde echter dat veroordeelde meerdere kansen heeft gehad om te betalen en een betalingsregeling te treffen, maar dit niet heeft gedaan. Hoewel veroordeelde geen traceerbaar vermogen bezit, blijkt uit stukken dat hij tussen 2010 en 2013 ruim €227.750,00 heeft doorgeboekt naar een Thaise bankrekening van zijn schoonzus, waarover hij beheer had, zonder duidelijkheid over de besteding.

Ook al heeft veroordeelde financiële tegemoetkomingen aangevraagd en een lening ontvangen, dit weerlegt niet dat mogelijk nog vermogen beschikbaar is. Daarnaast bezit hij sinds juli 2022 een voertuig met een dagwaarde van €4.655,00, waarvan de financiering niet transparant is gemaakt. De raadkamer concludeert dat veroordeelde onvoldoende aannemelijk heeft gemaakt niet te kunnen betalen.

Daarom wordt de machtiging tot gijzeling deels toegewezen voor 180 dagen als prikkel tot betaling, met de bepaling dat de gijzeling eindigt zodra het volledige bedrag is voldaan.

Uitkomst: De raadkamer machtigt gijzeling voor 180 dagen wegens niet-nakoming betalingsverplichting ontnemingsvonnis.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 21/006395-16
Raadkamernummer: 22/23610
Datum uitspraak: 9 december 2022
Beschikkingvan de meervoudige raadkamer ingevolge artikel 6:6:25 lid 1 onder Pro b van het Wetboek van Strafvordering
in de zaak van

de officier van justitie

tegen

[veroordeelde] (hierna te noemen: veroordeelde).

geboren op [geboortedatum] 1962 in [geboorteplaats] ,
wonende aan de [adres] ).
Raadsman: mr. C.G. Peerik, advocaat in Amsterdam.

De procedure

Op 14 oktober 2022 is bij de rechtbank binnengekomen een vordering ex artikel 6:6:25 lid 1 onder Pro b van het Wetboek van Strafvordering strekkende tot het verlenen van een machtiging tot gijzeling voor de duur van 540 dagen.

Het onderzoek in raadkamer

In openbare raadkamer van 25 november 2022 zijn gehoord:
- veroordeelde;
- raadsman mr. C.G. Peerik;
- de officier van justitie, mr. J.F. Menke.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft gepersisteerd bij de vordering.

Het standpunt van de verdediging

De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat de vordering dient te worden afgewezen, nu aannemelijk is dat veroordeelde niet in staat is aan de betalingsverplichting te voldoen.

De beoordeling

Bij onherroepelijk arrest van het Gerechtshof Arnhem-Leeuwarden van 6 mei 2021 is betrokkene veroordeeld tot betaling van een geldbedrag van € 297.807,00 aan de Staat ter ontneming van het wederrechtelijk door hem verkregen voordeel.
Ingevolge artikel 6:6:25 lid 6 Wetboek Pro van Strafvordering ligt het op de weg van veroordeelde om aannemelijk te maken dat hij niet in staat is om aan de betalingsverplichting te voldoen. De raadkamer overweegt dat uit de stukken blijkt dat veroordeelde meer dan eens in de gelegenheid is gesteld zijn betalingsverplichting te voldoen, maar volledige betaling van het verschuldigde bedrag tot op heden is uitgebleven. Ook is veroordeelde meerdere malen in de gelegenheid gesteld om een redelijke betalingsregeling voor te stellen, maar er is geen betalingsregeling tot stand gekomen. Verder volgt hieruit dat verhaal (nog) niet mogelijk is gebleken.
Met de officier van justitie en de verdediging is de raadkamer van oordeel dat kan worden vastgesteld dat veroordeelde op dit moment niet over traceerbaar (legaal) vermogen beschikt.
Uit de stukken blijkt echter dat veroordeelde in de periode november 2010 tot en met 18 december 2013 in totaal minimaal € 227.750,00 van het wederrechtelijk verkregen voordeel heeft doorgeboekt naar een Thaise bankrekening op naam van zijn schoonzus, waarover hij het volledige beheer had. Veroordeelde stelt zich op het standpunt dat hij niet langer beschikt over dit geld. De raadkamer overweegt dat veroordeelde destijds geen onderbouwing of inzicht heeft gegeven in de besteding van dit geldbedrag, zoals het gerechtshof ook al heeft overwogen in zijn veroordelend arrest en hij dat nu evenmin heeft gedaan. De raadkamer is dan ook van oordeel dat op dit moment onvoldoende duidelijk is geworden wat er met het geld in Thailand is gebeurd en het niet aannemelijk is geworden dat veroordeelde hier niet (langer) over beschikt. Dat veroordeelde aanvragen heeft gedaan voor financiële tegemoetkomingen voor het onderhoud van zijn dochter, hij een onzakelijk gunstige lening heeft gekregen van een vriend en zijn gemeentelijke belastingen zijn kwijtgescholden, maakt dit oordeel niet anders. Iedereen kan immers verzoeken om kwijtschelding doen of om financiële bijstand of subsidie vragen en toekenning daarvan betekent niet dat voldoende zeker is dat niet ergens nog vermogen beschikbaar is.
De raadkamer stelt verder vast dat uit de stukken volgt dat veroordeelde sinds 9 juli 2022 een voertuig op naam heeft staan met een indicatiedagwaarde van € 4.655,00. De financiële middelen die veroordeelde heeft gebruikt voor deze aankoop had hij ook kunnen gebruiken voor de aflossing van onderhavige schuld. De raadkamer overweegt dat veroordeelde de gang van zaken rondom de aankoop van deze privéauto niet inzichtelijk heeft gemaakt. Hij heeft hier weliswaar fragmenten van laten zien, maar heeft verzuimd de wijze waarop deze aanschaf is gefinancierd volledig inzichtelijk te maken, bijvoorbeeld in de vorm van (voorlopige) financiële stukken van zijn onderneming.
Naar het oordeel van de raadkamer heeft veroordeelde niet aannemelijk gemaakt niet in staat te zijn om aan zijn betalingsverplichting te voldoen. Op grond van het voorgaande zal de raadkamer - als prikkel om alsnog tot betaling van het verschuldigde bedrag over te gaan - de vordering van de officier van justitie deels toewijzen en een machtiging verlenen tot toepassing van gijzeling voor de duur van 180 dagen. Daarbij wordt opgemerkt dat de gijzeling in ieder geval eindigt indien veroordeelde alsnog het verschuldigde bedrag volledig voldoet.

De beslissing

De raadkamer:
-
machtigtde officier van justitie tot toepassing van gijzeling voor de duur van
180 (honderdtachtig) dagen;
-
wijstde vordering voor het overige
af.
Deze beslissing is gegeven door mr. M. Rietveld, als voorzitter, mr. F.J.H. Hovens en mr. J.A.P. Bakker, als rechters in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 9 december 2022.
mr. J.A.P. Bakker en de griffier zijn buiten staat te ondertekenen.