Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 8 november 2022.
Rechtbank Gelderland
De vrouw en de man, voormalige partners, zijn hoofdelijk aansprakelijk voor hypothecaire leningen op een bedrijfswoning die eigendom is van de man. In 2019 sloten zij een vaststellingsovereenkomst waarin de man zich inspande om de vrouw te ontslaan uit deze aansprakelijkheid. De vrouw vordert dat de man binnen veertien dagen een verzoek indient bij de bank tot ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid en medewerking verleent, met dwangsommen bij nalatigheid. Tevens vordert zij, indien de bank weigert, dat de man de bedrijfswoning verkoopt.
De rechtbank oordeelt dat de man onvoldoende heeft onderbouwd waarom het verzoek aan de bank niet kan worden gedaan en veroordeelt hem tot het indienen van het verzoek en medewerking. De vordering tot verkoop van de bedrijfswoning wordt afgewezen omdat partijen slechts een inspanningsverplichting zijn overeengekomen en de vrouw onvoldoende heeft aangetoond dat voortzetting van de hoofdelijke aansprakelijkheid onaanvaardbaar is. Ook ontbreekt een concrete noodzaak voor verkoop en is de bedrijfswoning nauw verweven met de onderneming van de man.
In de voorwaardelijke reconventie vordert de man dat de vrouw bijdraagt in de kosten van het ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid, maar dit wordt afgewezen. De proceskosten worden gecompenseerd zodat iedere partij de eigen kosten draagt. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad.
Uitkomst: De man wordt veroordeeld tot het doen van een verzoek tot ontslag uit hoofdelijke aansprakelijkheid en medewerking, terwijl de vordering tot verkoop van de bedrijfswoning wordt afgewezen.