De zaak betreft een minderjarige met complexe persoonlijkheidsproblematiek en een ontwikkelingsniveau van een driejarig kind, die zich in een escalatie bevindt met gevaar voor zichzelf en haar ouders. De Raad voor de Kinderbescherming verzocht om gesloten plaatsing om stabilisatie te bevorderen, maar de kinderrechter oordeelde dat eerdere gesloten plaatsingen traumatisch waren en zelfs schadelijk voor de minderjarige.
Tijdens de mondelinge behandeling werd duidelijk dat er een hulpverlenings- en veiligheidsplan bestaat dat gericht is op behandeling in de thuissituatie, maar dat de uitvoering hiervan door het college van burgemeester en wethouders nog niet gefaciliteerd is. De GI heeft een rol in het bevorderen van deze uitvoering binnen de ondertoezichtstelling.
De kinderrechter besloot de spoedmachtiging gesloten jeugdhulp, verleend op 9 december 2022, op te heffen en het verzoek tot gesloten plaatsing af te wijzen. De voorlopige ondertoezichtstelling blijft gehandhaafd om de hulpverlening in de thuissituatie mogelijk te maken, waarbij de GI een verbindende rol krijgt tussen ouders, hulpverlening en gemeente.
Het vonnis benadrukt het belang van passende hulp die aansluit bij het ontwikkelingsniveau van de minderjarige en waakt voor verdere traumatisering door gesloten plaatsing. De uitspraak is mondeling gegeven op 16 december 2022 en schriftelijk vastgesteld op 20 december 2022.