Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2022:7335

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
20 december 2022
Publicatiedatum
29 december 2022
Zaaknummer
C/05/411855 KG RK 22-825
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Bestuursrecht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 8:15 Awb
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing wrakingsverzoek tegen rechter in bestuursrechtelijke zaak gemeente Ede

Verzoekers dienden een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een bestuursrechtelijke procedure tegen het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede. Zij stelden dat de rechter bevooroordeeld was vanwege de vragen die zij tijdens de zitting stelde, die volgens verzoekers niet relevant waren.

De wrakingskamer overwoog dat een rechter een grote mate van vrijheid heeft om partijen om inlichtingen te verzoeken en dat het niet aan de wrakingskamer is om te beoordelen of de vraagstelling ter zake dienend was. Het uitgangspunt is dat een rechter onpartijdig wordt vermoed te zijn. Alleen bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren kunnen leiden tot het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid schade lijdt.

De kamer concludeerde dat uit de vraagstelling van de rechter geen objectief gerechtvaardigde vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid kan worden afgeleid. Het subjectieve gevoel van verzoekers dat het niet de juiste kant op ging, is onvoldoende. Ook het feit dat verzoekers niet verder mochten toelichten waarom zij de vragen irrelevant vonden, rechtvaardigt geen vrees.

De wrakingskamer wees het verzoek daarom af. Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter is afgewezen wegens het ontbreken van een objectief gerechtvaardigde vrees voor partijdigheid.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND, locatie Arnhem

Wrakingskamer
zaaknummer: C/05/411855/KG RK 22/825
Beslissing
van de wrakingskamer van de rechtbank op het verzoek van
[verzoeker]
wonende te Moordrecht
hierna te noemen: verzoekers,
en
mr. A.L.M. Steinebach-de Wit,
rechter in deze rechtbank
hierna te noemen: de rechter.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit het proces-verbaal van 23 november 2022 waarin het mondelinge wrakingsverzoek en de gronden daarvoor zijn vermeld en de schriftelijke reactie van de rechter van 1 december 2022.
1.2.
Bij de mondelinge behandeling op 12 december 2022 zijn verschenen verzoekers, bijgestaan door hun gemachtigde K. Wittop Koning. De rechter heeft laten weten niet te zullen verschijnen. Namens gemeente Ede zijn verschenen: [belanghebbende] .

2.Het wrakingsverzoek

2.1.
Het verzoek strekt tot wraking van de rechter in de zaak met zaaknummer ARN 22/5433 tussen verzoekers en het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Ede. Verzoekers hebben volgens het proces-verbaal van de zitting van 23 november 2022 aan hun verzoek ten grondslag gelegd dat de rechter bevoorrecht (de wrakingskamer leest: bevooroordeeld) is. De rechter gaat in op situaties die niet relevant zijn.
2.2.
De rechter heeft laten weten niet in de wraking te berusten en heeft op het verzoek gereageerd. Die reactie wordt hierna voor zover nodig besproken.

3.De beoordeling

3.1.
Een rechter kan alleen gewraakt worden als zich omstandigheden voordoen waardoor de rechterlijke onpartijdigheid schade zou kunnen lijden. [1] Daarvan is sprake als de rechter jegens een procesdeelnemer vooringenomen is of als de vrees daarvoor objectief gerechtvaardigd is. Daarbij is het uitgangspunt dat een rechter wordt vermoed onpartijdig te zijn, omdat hij als rechter is aangesteld. Voor het oordeel dat de rechterlijke onpartijdigheid toch schade lijdt, bestaat alleen grond in geval van bijzondere omstandigheden die een zwaarwegende aanwijzing opleveren voor het aannemen van (de objectief gerechtvaardigde schijn van) partijdigheid. Uit de wet volgt dat de verzoeker die concrete omstandigheden moet aanvoeren en wel zodra deze aan hem bekend zijn geworden.
3.2.
Verzoekers stellen dat de vooringenomenheid van de rechter blijkt uit de vragen die zij stelde tijdens de zitting. Deze vragen waren in hun ogen niet relevant voor de beoordeling van de procedure.
3.3.
De wrakingskamer stelt voorop dat een rechter bevoegd is om partijen te verzoeken om inlichtingen te verschaffen (artikel ). De rechter komt daarbij een grote mate van vrijheid toe. Of de vraagstelling in dit geval ter zake dienend is, leent zich niet voor een oordeel door de wrakingskamer. Beoordeeld moet worden of de inhoud van de vraagstelling een zwaarwegende aanwijzing oplevert voor het oordeel dat de vrees dat de rechter partijdig is dan wel jegens verzoekers een vooringenomenheid koestert – objectief – gerechtvaardigd is. Het – subjectieve – gevoel van verzoekers dat het voor hen niet de juiste kant op ging, is daarvoor onvoldoende. Vastgesteld wordt dat de vraagstelling van de rechter, zoals zij in haar reactie ook aangeeft, er op gericht was om een zo compleet mogelijk beeld te krijgen over hoe de situatie in de loop van de jaren is ontstaan en wat daarbij is voorgevallen en dat zowel verzoekers als de gemachtigden van het college van burgemeester en wethouders daarover zijn bevraagd. Daaruit kan naar het oordeel van de wrakingskamer geen geobjectiveerde vrees voor vooringenomenheid of partijdigheid worden afgeleid. Dat verzoekers, zoals zij stellen, tijdens de vraagstelling van de rechter niet verder hebben mogen toelichten waarom zij deze irrelevant achten, kan die vrees evenmin rechtvaardigen. De rechter heeft de leiding van de zitting en (wederom) grote vrijheid om
de zitting zo in te richten zoals zij dat wil. Bovendien heeft zij aan het begin van de zitting duidelijk kenbaar gemaakt dat zij eerst een aantal vragen zal stellen en dat partijen (daarna) gelegenheid krijgen om te reageren en in de tweede ronde dingen aan de orde te brengen die nog niet aan de orde zijn gekomen.
3.4.
Gelet op het voorgaande zal het wrakingsverzoek worden afgewezen.

4.De beslissing

De wrakingskamer van de rechtbank wijst het verzoek tot wraking af.
Deze beslissing is gegeven door mr. D.S.M. Bak (voorzitter), mr. M.J.P. Heijmans en
mr. E.J. Davids (leden) in tegenwoordigheid van de griffier [griffier] en in het openbaar uitgesproken op
de griffier
de voorzitter
Tegen deze beslissing staat geen rechtsmiddel open.

Voetnoten

1.Dat is bepaald in artikel 8:15 van Pro de Algemene wet bestuursrecht (Awb).