ECLI:NL:RBGEL:2022:7577
Rechtbank Gelderland
- Mondelinge uitspraak
- Rechtspraak.nl
Afwijzing bestuurdersaansprakelijkheid feitelijk leidinggevende na bedrijfsongeval
De eiser verrichtte als zelfstandige werkzaamheden voor een B.V. waarvan de gedaagde feitelijk leidinggevende was. Tijdens werkzaamheden in het bedrijfspand van de B.V. ontstond brand, waarbij eiser brandwonden opliep. De B.V. werd later failliet verklaard.
Eiser stelde dat de gedaagde aansprakelijk was op grond van artikel 7:658 lid 4 BW Pro en bestuurdersaansprakelijkheid wegens het niet naleven van zorgplichten. De rechtbank overwoog dat lid 4 van artikel 7:658 BW Pro geen aansprakelijkheid voor feitelijk leidinggevenden vestigt, maar voor de werkgever zelf. Daarnaast ontbrak het aan een persoonlijk ernstig verwijt aan de bestuurder, wat noodzakelijk is voor bestuurdersaansprakelijkheid.
Ook de stelling dat de gedaagde aansprakelijk zou zijn als bezitter van het pand faalde, omdat de gestelde feiten betrekking hadden op de inrichting en niet op de opstal zelf. Gezien het ontbreken van andere rechtsgronden wees de rechtbank de vordering af en veroordeelde eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De vordering tegen de feitelijk leidinggevende wordt afgewezen wegens onvoldoende bewijs van persoonlijk ernstig verwijt en bestuurdersaansprakelijkheid.