ECLI:NL:RBGEL:2022:7589

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
21 december 2022
Publicatiedatum
23 april 2024
Zaaknummer
9884191 CV EXPL 22-1379
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:203 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vordering tot terugbetaling onverschuldigde betaling aan vennootschap toegewezen

Op 16 mei 2019 heeft eiser een bedrag van €18.333 overgemaakt aan gedaagde B.V. met betrekking tot aandelen in LuxLiving B.V. Eiser stelt dat dit bedrag onverschuldigd is betaald en vordert terugbetaling van €18.133 plus rente en kosten.

Gedaagde B.V. betwist de vordering en stelt dat het bedrag onderdeel was van het startkapitaal van LuxLiving B.V., waarvoor een rechtsgrond bestaat. De rechtbank beoordeelt dat gedaagde B.V. onvoldoende heeft onderbouwd dat zij jegens eiser aanspraak kan maken op het volledige bedrag.

De rechtbank concludeert dat het gevorderde bedrag onverschuldigd is betaald en veroordeelt gedaagde B.V. tot terugbetaling van €18.133, vermeerderd met wettelijke rente vanaf 27 februari 2022. Tevens worden de proceskosten aan de zijde van eiser toegewezen, terwijl het meer of anders gevorderde wordt afgewezen.

Uitkomst: Gedaagde B.V. wordt veroordeeld tot terugbetaling van €18.133 met rente en proceskosten.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND

Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 9884191 \ CV EXPL 22-1379
Vonnis van 21 december 2022
in de zaak van
[eiser],
te [plaats] ,
eisende partij,
hierna te noemen: [eiser] ,
procederend in persoon,
tegen
[gedaagde B.V.],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde B.V.] ,
gemachtigde: mr. J.K. Althoff.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 31 augustus 2022
- de mondelinge behandeling van 22 november 2022, waarvan aantekening is gehouden door de griffier
- de e-mail van [eiser] van 22 november 2022 met productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De feiten

2.1.
Op 15 mei 2019 is de besloten vennootschap LuxLiving B.V. opgericht. [betrokkene 1] (hierna: [betrokkene 1] ) is per die datum bestuurder van de vennootschap geworden.
2.2.
Bij oprichting hield Bobble’s B.V. 60% van de aandelen en [betrokken B.V.] 40% van de aandelen. [bestuurder betrokken B.V.] (hierna: [bestuurder betrokken B.V.] ) is bestuurder van [betrokken B.V.]
2.3.
Op 7 mei 2019 heeft [eiser] aan [betrokkene 1] geschreven:

[eiser] betaald 57.333 euro in totaal voor 4% van de aandelen in Luxliving bv. Hoe ziet de opbouw van dat bedrag er uit.
8 mei – 8.333,33 euro.
17 mei – 5000 euro.
7 juni – 5000 euro.
(of zoveel eerder of later)
na livegang van het geheel (na financiering ontvangst a. 375.000.000,- ) betaald [eiser] 29.000 euro naar [betrokkene 1]
Zoals afgesproken ontvang jij akkoord 2500 handgeld en later nog een keer 7500 euro. (2020)
(…)
2.4.
Per e-mail van diezelfde datum antwoordt [betrokkene 1] aan [eiser] :

Hierbij ben ik akkoord met jouw voorstel en voorwaarden. Liefst heb ik 3 om 7 als je het red.
(…)
Je hebt als het goed is de aandeelhouder transactie in je mail zou je die willen tekenen of dit kan donderdag ook bij René.
Je krijgt volledige bedrag terug als het niet doorgaat van mij.
(…)
2.5.
Op 15 mei 2019 heeft [bestuurder betrokken B.V.] aan [eiser] en [betrokkene 1] geschreven:

Het moet dus inderdaad eerst naar mij gestort worden
Ik zal het bedrag keer 2 storten naar LUX living BV
Deze betaald dan de totaal kosten a 55 K en daarna zullen de aandelen getransporteerd worden 4 % naar jouw en 16 % naar [betrokkene 1] .
Mijn banknummer is (…) met omschrijving storting lux living bv ten behoeve van [eiser] en [betrokkene 1]
2.6.
Op 16 mei 2019 heeft [eiser] een bedrag van € 18.333,00 aan [gedaagde B.V.] overgemaakt onder vermelding van de omschrijving “storting lux living bv ten behoeve van [eiser] en [betrokkene 1] ”.
2.7.
[eiser] is op 18 september 2019 eigenaar geworden van een minderheidsaandeel in LuxLiving B.V. De nominale waarde van het aandelenpakket van [eiser] bedroeg € 40,00. [betrokkene 1] is eigenaar geworden van een aandelenpakket met een nominale waarde van € 160,00.
2.8.
Bij e-mail van 11 februari 2022 heeft [eiser] aan onder meer [bestuurder betrokken B.V.] en [betrokkene 1] geschreven:

Geachte aandeelhouders,
(…)
Ik wil allereerst helderheid voordat ik nog energie in LL steek. Ik heb mij voor een aardig bedrag ingekocht, tot deze tijd is er nog niet geleverd en zijn er veel onderlinge, onnodige botsingen geweest. (…)
2.9.
[bestuurder betrokken B.V.] heeft daarop diezelfde dag geantwoord:

Wij hebben er allemaal centjes in gestopt, dat jij met [betrokkene 1] een bedrag hebt afgesproken staan wij compleet buiten
Dat de aandelen op dit moment geen euro waard zijn, hoef ik je niet te vertellen.
Maar als je vertrouwen in de aandeelhouders / de oprichter er niet is, zou ik je willen adviseren om te stoppen. Het heeft geen zin om met aandeelhouders te werken waar je geen vertrouwen in hebt. (…)
2.10.
Daarop heeft [eiser] diezelfde dag als volgt gereageerd:

D.d. 16 mei 2019 is er een betaling gedaan aan U middels uw Holding bv ( [gedaagde B.V.] ) ter hoogte van € 18.333,-
Er is toen sprake geweest van het overnemen van aandelen. Hiervoor is het gedeelte van [betrokkene 1] betaald en mijzelf, [eiser] .
Deze bedragen zijn gesteld, contractueel ondertekend en bevestgigd en gedeponeerd bij Notaris a € 160.- en € 40.- (een logische prijs voor de onderliggende assets in de BV)
De rest van het bedrag, € 18.133,- zal teruggestort moet worden. Er is geen document, onderbouwing en/of onderliggende asset die dit restbedrag tussen ons twee, als partij, kunnen onderbouwen.
Om eventuele verwarring te voorkomen, zijn er zijn met [betrokkene 1] en met mijzelf onderlinge afspraken gemaakt tussen [betrokkene 1] en mijzelf, deze afspraken zijn dusdanig vaak aangepast, niet nagekomen of onduidelijk gebleken waarvan tot slot zelfs aangifte gedaan wordt van oplichting dat deze zonder tussenkomst van een (straf)rechter niet opgelost zullen worden. (Wat zelfs geleid heeft tot het uit dienst zetten van hem als bestuurder c.q. Directeur).
Tot conclusie: deze afspraken waren met [betrokkene 1] en ga ik niet mee in onderlinge afspraken tussen externe partijen hierin.
Onze afspraak was vrij transparant, het overnemen van aandelen 16+4% tegen een waarde van € 160,- en € 40,-.
Deze transactie, hoe nutteloos dan ook, is voldaan en akkoord bevonden met beiden partijen onder toezicht en begeleiding van Notaris.
(…)

3.Het geschil

3.1.
[eiser] vordert - samengevat - veroordeling van [gedaagde B.V.] tot betaling van € 18.743,29, vermeerderd met rente en kosten.
3.2.
[gedaagde B.V.] voert verweer en concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [eiser] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen, met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [eiser] in de proceskosten, te vermeerderen met wettelijke rente.
3.3.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
[eiser] legt aan zijn vordering ten grondslag dat hij een bedrag van € 18.133,00 onverschuldigd aan [gedaagde B.V.] heeft voldaan.
4.2.
Van onverschuldigde betaling in de zin van artikel 6:203 BW Pro is sprake indien de prestatie zonder rechtsgrond is verricht. De stelplicht en, zo nodig, de bewijslast betreffende feiten en omstandigheden waaruit volgt dat [eiser] een bedrag van € 18.133,00 zonder rechtsgrond aan [gedaagde B.V.] heeft voldaan, rusten op [eiser] .
4.2.1.
[eiser] heeft in dit verband gesteld dat het door hem op 16 mei 2019 betaalde bedrag van € 18.333,00 aan [gedaagde B.V.] is overgemaakt in plaats van aan [betrokkene 1] . [eiser] is met [betrokkene 1] een aanbrengfee overeengekomen. De betaling van het bedrag van € 18.333,00 zag op het eerste gedeelte van die fee. [gedaagde B.V.] kan jegens [eiser] enkel aanspraak maken op een bedrag van € 200,00, zijnde de koopsom van de aandelen. Er bestaat geen rechtsgrond op grond waarvan [gedaagde B.V.] aanspraak kan maken op het meerdere, te weten het in hoofdsom door [eiser] gevorderde bedrag van € 18.133,00.
4.2.2.
Een en ander is door [gedaagde B.V.] weersproken. Volgens [gedaagde B.V.] is er een aanwijsbare verbintenis die de betaling van het bedrag van € 18.333,00 aan [gedaagde B.V.] rechtvaardigt. LuxLiving B.V. had ten tijde van de oprichting behoefte aan een startkapitaal ter hoogte van € 55.000,00. Afgesproken is dat dit startkapitaal zou worden ingelegd door alle aandeelhouders gezamenlijk, met uitzondering van [betrokkene 2] die voor zijn 40%-belang in de vennootschap arbeid zou inbrengen. [betrokkene 1] zou in eerste instantie 20% van de aandelen verwerven en daarvoor een bedrag van € 18.333,00 aan startkapitaal inleggen. Uiteindelijk is [betrokkene 1] voor 16% gaan deelnemen in de vennootschap en [eiser] voor 4%. Gezamenlijk zouden zij alsnog € 18.333,00 inbrengen in de vennootschap. Voormeld bedrag is op 16 mei 2019 door [eiser] overgemaakt naar de bankrekening van [gedaagde B.V.] met daarbij als omschrijving “storting lux living bv ten behoeve van [eiser] en [betrokkene 1] .” Dit is zo afgesproken met [bestuurder betrokken B.V.] , omdat LuxLiving B.V. op dat moment nog niet beschikte over een eigen bankrekening. [eiser] heeft op deze manier bevrijdend betaald aan de vennootschap en/of de aandeelhouders. De betaling betrof inbreng van kapitaal in de vennootschap en kwam dan ook toe aan de vennootschap en niet aan [betrokkene 1] in privé. Ter onderbouwing verwijst [gedaagde B.V.] naar de e-mailcorrespondentie tussen [eiser] , [betrokkene 1] en [bestuurder betrokken B.V.] die zich bij de stukken bevindt, alsmede naar een verklaring van [bestuurder betrokken B.V.] die bij antwoord is overgelegd.
4.3.
[gedaagde B.V.] stelt weliswaar dat er een verbintenis is die de betaling van het bedrag van € 18.333,00 aan [gedaagde B.V.] rechtvaardigt, maar, ook als van de juistheid van die stelling wordt uitgegaan, staat daarmee nog niet vast dat er een verbintenis is op grond waarvan [eiser] gehouden is voormeld bedrag te betalen. In dit verband is van belang dat uit de stellingen van [gedaagde B.V.] niet kan worden afgeleid wat ten aanzien van het inbrengen van startkapitaal met [eiser] is overeengekomen. [gedaagde B.V.] stelt weliswaar dat ‘ [betrokkene 1] en [eiser] gezamenlijk het overeengekomen bedrag van € 18.333,00 zouden inbrengen in de vennootschap’, maar dit wordt door [eiser] weersproken en is door [gedaagde B.V.] niet onderbouwd. Bovendien volgt daaruit nog niet dat [gedaagde B.V.] jegens [eiser] aanspraak kan maken op het gehele bedrag van € 18.333,00. Een rechtsgrond voor een dergelijke aanspraak is gesteld noch gebleken. Dit leidt tot de conclusie dat de stellingen van [eiser] onvoldoende gemotiveerd zijn weersproken en dat dus in rechte vast is komen te staan dat er geen rechtsgrond is op grond waarvan [gedaagde B.V.] aanspraak kan maken op meer dan de nominale waarde van de aandelen.
4.4.
De conclusie is dat het in hoofdsom gevorderde bedrag van € 18.133,00 toewijsbaar is.
4.5.
Door tijdige (terug)betaling van voormeld bedrag na de ingebrekestelling d.d. 11 februari 2022 achterwege te laten, is [gedaagde B.V.] in verzuim geraakt en wettelijke rente verschuldigd geworden, zodat de daarop betrekking hebbende vordering eveneens toewijsbaar is.
4.6.
[eiser] maakt ten slotte aanspraak op vergoeding van buitengerechtelijke kosten die hij heeft moeten maken voor ‘de bemoeiingen van de deurwaarder’. Voor zover hij daarmee doelt op vergoeding van buitengerechtelijke incassokosten, geldt dat niet is gesteld dat buitengerechtelijke incassowerkzaamheden zijn verricht, zodat daarvoor geen vergoeding kan worden toegewezen. De gevorderde kosten moeten dan ook worden aangemerkt als kosten ter voorbereiding van de procedure. Deze kosten worden aangemerkt als proceskosten, waarover een aparte beslissing wordt genomen.
4.7.
[gedaagde B.V.] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten worden veroordeeld. De kantonrechter ziet geen reden om bij die proceskostenveroordeling af te wijken van het gebruikelijke liquidatietarief. Omdat [eiser] in persoon procedeert, kan geen bedrag aan salaris gemachtigde worden toegekend.

5.De beslissing

De kantonrechter:
5.1.
veroordeelt [gedaagde B.V.] tot betaling aan [eiser] van een bedrag van € 18.133,00, te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf 27 februari 2022 tot de dag van algehele voldoening;
5.2.
veroordeelt [gedaagde B.V.] in de proceskosten, tot op heden aan de zijde van [eiser] vastgesteld op:
€ 131,17 aan dagvaardingskosten;
€ 693,00 aan griffierecht;
te vermeerderen, indien deze kosten niet binnen veertien dagen na betekening van het vonnis zijn voldaan, met de wettelijke rente vanaf de veertiende dag na betekening;
5.3.
verklaart dit vonnis uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. I.C.J.I.M. van Dorp en in het openbaar uitgesproken op 21 december 2022.
(mk)