ECLI:NL:RBGEL:2022:939

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
23 februari 2022
Publicatiedatum
22 februari 2022
Zaaknummer
C/05/393161 / HA ZA 21-470
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 7 lid 1 EEX-VerordeningArt. 7 lid 2 EEX-VerordeningArt. 4 EEX-VerordeningArt. 21 RvArt. 6:162 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident inzake negatieve verklaringen van recht en onrechtmatige daad bij verkoop sperma van dressuurpaard Totilas

In deze zaak staat de vraag centraal of de Nederlandse rechter bevoegd is om te oordelen over vorderingen van eiser tegen gedaagde, een buitenlandse vennootschap, met betrekking tot negatieve verklaringen van recht en een onrechtmatige daad.

Eiser was eigenaar van het beroemde dressuurpaard Totilas en verkocht dit in 2010 aan gedaagde, gevestigd in Duitsland. In 2011 leverde eiser op verzoek van gedaagde ook diepvriessperma van Totilas. Gedaagde vorderde in Duitsland een verbod voor eiser om dit sperma aan te bieden en te verkopen, wat werd toegewezen.

Eiser vordert in Nederland onder meer dat wordt vastgesteld dat het sperma geen onderdeel uitmaakt van de koopovereenkomst en dat hij het sperma mag verkopen. Gedaagde betwist de bevoegdheid van de Nederlandse rechter en stelt dat de zaak in Duitsland moet worden behandeld.

De rechtbank oordeelt dat de Nederlandse rechter bevoegd is, omdat de vorderingen van eiser nauw samenhangen met de koopovereenkomst die in Nederland is geleverd. Ook de vorderingen uit onrechtmatige daad vereisen uitleg van die overeenkomst, waardoor artikel 7 lid 1 EEX Pro-Verordening van toepassing is. Het verzoek tot tussentijds hoger beroep wordt afgewezen en de zaak wordt verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich bevoegd en wijst het incident af; gedaagde wordt veroordeeld in de kosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/393161 / HA ZA 21-470
Vonnis in incident van 23 februari 2022
in de zaak van
[eiser],
wonende te [woonplaats] ,
eiser in de hoofdzaak,
verweerder in het incident,
advocaat mr. L.M. Schelstraete te 's-Hertogenbosch,
tegen
vennootschap naar buitenlands recht
[gedaagde],
gevestigd te [vestigingsplaats] ,
gedaagde in de hoofdzaak,
eiseres in het incident,
advocaat mr. M.J.F. van den Berg te Amsterdam.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding;
  • de incidentele conclusie houdende een exceptie van onbevoegdheid;
  • conclusie van antwoord in het incident tevens akte houdende vermeerdering van eis in de hoofdzaak;
  • de rolbeslissing van 29 december 2021;
  • antwoordakte in het incident;
  • akte uitlating productie.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De beoordeling in het incident

2.1.
[gedaagde] vordert dat de rechtbank zich onbevoegd verklaart. [eiser] voert verweer. Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.
2.2.
[eiser] is voormalig eigenaar van het inmiddels overleden beroemde dressuurpaard Totilas. [gedaagde] is een hippische onderneming van de voormalig Duitse springruiter [gedaagde] . In 2010 is tussen partijen een koopovereenkomst tot stand gekomen betreffende de verkoop van Totilas. [eiser] heeft Totilas aan [gedaagde] verkocht voor € 9.500.000,-. De levering vond plaats in 2010 in Harskamp (Nederland) waar Totilas door een medewerker van [gedaagde] is opgehaald en naar Duitsland is gebracht. In 2011 heeft [eiser] op verzoek van [gedaagde] ook een aantal rietjes met diepvriessperma van Totilas aan [gedaagde] gegeven, eveneens vanaf locatie Harskamp.
2.3.
[gedaagde] heeft in januari 2021 bij het Landgericht Oldenburg tegen [eiser] als voorlopige maatregel een verbod gevorderd om het diepvriessperma van Totilas aan te bieden en te verkopen. [gedaagde] heeft daarbij aangevoerd dat alle diepvriessperma van Totilas dat in bezit is van [eiser] onderdeel uitmaakt van de tussen partijen gesloten koopovereenkomst uit 2010. De gevorderde voorlopige maatregel is door het Landgericht toegewezen en die uitspraak is in hoger beroep door het Oberlandesgericht Oldenburg bekrachtigd.
2.4.
Na vermeerdering van eis vordert [eiser] - voor zover van belang voor dit incident in de hoofdzaak primair:
  • te verklaren voor recht dat diepvriessperma van Totilas geen onderdeel uitmaakt van de in oktober 2010 tussen [eiser] en [gedaagde] tot stand gekomen koopovereenkomst;
  • te verklaren voor recht dat het [eiser] is toegestaan om diepvriessperma van Totilas te koop aan te bieden en te verkopen;
  • [gedaagde] te gebieden te gehengen en gedogen dat [eiser] diepvriessperma van Totilas te koop aanbiedt en verkoopt, zulks op straffe van verbeurte van een dwangsom (…);
  • te verklaren voor recht dat [gedaagde] uit hoofde van onrechtmatige daad ex artikel 6:162 BW Pro jegens [eiser] aansprakelijk is uit hoofde van het door het Landgericht Oldenburg aan [eiser] opgelegde en door [gedaagde] gehandhaafde verbod tot het te koop aanbieden en verkopen van het diepvriessperma van Totilas, met veroordeling van [gedaagde] tot vergoeding van de dientengevolge door [eiser] geleden en nog te lijden schade (…);
  • (…)”
Daarbij baseert [eiser] de bevoegdheid van de rechtbank op artikel 7 lid 1 sub b en Pro artikel artikel 7 lid 2 van Pro de (herschikte) EEX-Verordening. [1] De eerste twee gevorderde verklaringen voor recht zijn volgens hem negatieve verklaringen voor recht waarbij hij zich beroept op het niet bestaan van een overeenkomst met betrekking tot de spermarietjes als een reactie tegen het beroep op een dergelijke overeenkomst door [gedaagde] . Met betrekking tot zijn vordering op grond van onrechtmatige daad - de vermelde vierde vordering - voert [eiser] aan dat hij schade lijdt in Nederland, omdat hij in Nederland woonachtig is en daar ook het centrum van zijn economische belangen is.
2.5.
Volgens [gedaagde] komt de rechtbank geen bevoegdheid toe, omdat de vordering van [eiser] (juist) niet op een overeenkomst is gebaseerd, gelet op zijn betwisting van het bestaan van een overeenkomst met betrekking tot de spermarietjes, waardoor artikel 7 lid 1 van Pro de (herschikte) EEX-Verordening toepassing mist en [gedaagde] op grond van de hoofdregel in haar vestigingsplaats in Duitsland moet worden gedagvaard. Ook ten aanzien van de eisvermeerdering - de vordering uit hoofde van onrechtmatige daad - is de rechtbank volgens [gedaagde] onbevoegd, omdat zuiver financiële schade onvoldoende is voor de toepasselijkheid van artikel 7 lid 2 van Pro de (herschikte) EEX-Verordening. [gedaagde] betwist voorts in dit verband dat [eiser] in Nederland woonachtig is en het centrum van zijn economische belangen zich in Nederland bevindt.
2.6.
Naast het voorgaande heeft [gedaagde] aangevoerd dat [eiser] misbruik van procesrecht maakt en in strijd met artikel 21 Rv Pro heeft gehandeld. Daarbij voert zij aan dat [eiser] zelf tijdens de procedure in Duitsland heeft verzocht om een termijn waarbinnen [gedaagde] de hoofdzaak aanhangig moet maken en deze termijn heeft verkregen. Volgens [gedaagde] heeft [eiser] dit ten onrechte in onderhavige procedure niet gemeld. Bovendien is [gedaagde] conform het verzoek van [eiser] inmiddels een hoofdzaak gestart bij het Landgericht Oldenburg. De rechtbank gaat hieraan voorbij. Ten eerste volgt uit de uitspraak van het Oberlandesgericht Oldenburg dat [eiser] heeft verzocht om een termijn waarbinnen [gedaagde] de hoofdzaak bij de
Nederlandsebevoegde rechter zou aanbrengen. Dus niet bij een Duitse rechter, zoals [gedaagde] lijkt te suggereren. Uit de door [gedaagde] overgelegde stukken volgt niet dat [eiser] op de hoogte is van de door [gedaagde] ingediende ‘Klage’ bij het Landgericht Oldenburg, wat door [eiser] wordt betwist. Hem kan dus niet verweten worden dat hij dit niet heeft vermeld. Daarbij wijst de rechtbank erop dat de ‘Klage’ dateert van 8 november 2021, terwijl de onderhavige zaak op 15 september 2021 bij deze rechtbank is aangebracht. Dat kan ertoe leiden dat het Landgericht Oldenburg zijn uitspraak op grond van artikel 29 (herschikte) EEX-Verordening zal aanhouden totdat in dit bevoegdheidsincident en (mogelijk) in de hoofdzaak zal zijn beslist.
Bevoegdheid rechtbank
2.7.
De rechtbank is van oordeel dat zij bevoegd is van de vorderingen van [eiser] kennis te nemen en zal daarom de vordering in het incident afwijzen. Daartoe overweegt de rechtbank als volgt. Uitgangspunt van artikel 4 van Pro de (herschikte) EEX-verordening is dat [gedaagde] opgeroepen moet worden voor de bevoegde rechter in Duitsland, omdat zij daar gevestigd is. Op grond van artikel 7 van Pro de (herschikte) EEX-verordening kan een gedaagde echter onder omstandigheden ook voor het gerecht van een andere lidstaat worden opgeroepen. Artikel 7 lid 1 onder Pro b van de (herschikte) EEX-verordening bepaalt dat bij de koop en verkoop van roerende lichamelijke zaken het gerecht in de plaats in een lidstaat waar de zaken volgens de overeenkomst geleverd werden of geleverd hadden moeten worden eveneens bevoegd is. Voor toepassing van artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-verordening is vereist dat tussen partijen een vrijwillig aangegane verbintenis kan worden aangewezen waarop de vordering van [eiser] berust. [2] Tussen partijen staat vast dat zij in 2010 een koopovereenkomst hebben gesloten waarbij [eiser] Totilas heeft verkocht aan [gedaagde] en in Nederland aan een medewerker van [gedaagde] heeft geleverd. Volgens [gedaagde] maken de overdracht van het bij [eiser] in bezit zijnde diepvriessperma en de overdracht van het exclusieve recht om dit diepvriessperma in de markt aan te bieden onderdeel uit van die koopovereenkomst. Dit standpunt is door [gedaagde] zowel in de brief van haar advocaat van 20 januari 2021 als in haar verzoek om een voorlopige maatregel bij Landgericht Oldenburg ingenomen.
2.8.
De eerste twee vorderingen van [eiser] zijn weliswaar niet direct gebaseerd op die koopovereenkomst, maar kunnen worden beschouwd als negatieve verklaringen voor recht dat [eiser] niet is tekortgeschoten in de nakoming van die overeenkomst, zoals door [gedaagde] wordt betoogd en hebben in zoverre betrekking op die overeenkomst. De bijzondere bevoegdheidsregel van artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-Verordening is van toepassing ‘ten aanzien van verbintenissen uit overeenkomst’. Uit de rechtspraak van het Europees hof van Justitie volgt dat op grond van een dergelijke formulering een negatieve verklaring voor recht niet reeds op voorhand van de werkingssfeer van die bepaling kan worden uitgesloten. Daarvoor moet onderzocht worden of ondanks de bijzondere aard van een negatieve verklaring voor recht de rechterlijke bevoegdheid om kennis te nemen van een dergelijke vordering kan worden toegekend op basis van de criteria van artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-verordening. Bij de gevorderde negatieve verklaringen voor recht wil [eiser] doen vaststellen dat de voorwaarden voor wanprestatie waaraan [gedaagde] een recht op verkrijging van de spermarietjes en de exclusieve rechten om deze te koop aan te bieden ontleent, niet zijn vervuld. Deze vorderingen vormen dus een omkering van de traditionele procesverhoudingen bij een vordering uit een overeenkomst, omdat eiser de potentiële schuldenaar van de op een wanprestatie gebaseerde vordering is, terwijl de gedaagde de vermeende benadeelde daarvan is. Die omkering van rollen sluit echter een vordering bestaande uit een negatieve verklaring van recht niet uit van de werkingssfeer van artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-verordening. Zowel bij de vordering uit wanprestatie van [gedaagde] als bij de gevorderde negatieve verklaring voor recht van [eiser] heeft de beoordeling van het geschil betrekking op dezelfde gegevens, feitelijk en rechtens. [3] Voor de beoordeling van deze vorderingen van [eiser] is het namelijk noodzakelijk om de koopovereenkomst uit 2010 uit te leggen. De rechtbank is daarom van oordeel dat de eerste twee door [eiser] gevorderde verklaringen voor recht berusten op die koopovereenkomst en daarmee voldoen aan de criteria uit artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-verordening. De Nederlandse rechter is bevoegd omdat de levering van Totilas op basis van die overeenkomst heeft plaatsgevonden in Nederland (Harskamp).
2.9.
Dat de levering van de spermarietjes in Duitsland zou moeten plaatsvinden, zoals [gedaagde] in haar antwoordakte in het incident aanvoert en wat door [eiser] wordt betwist, volgt de rechtbank niet. Zowel de levering van Totilas in 2010 als de latere afgifte van een aantal spermarietjes in 2011 hebben onweersproken plaatsgevonden in Nederland. Dat brengt mee dat ten aanzien van de criteria uit artikel 7 lid 1 onder Pro b EEX-verordening (plaats van levering) uitsluitend aanknopingspunten met Nederland vaststaan. Dat partijen voor de door [gedaagde] gestelde verplichting tot levering van de overige spermarietjes een daarvan afwijkende afspraak zouden hebben gemaakt is op geen enkele wijze onderbouwd door [gedaagde] .
2.10.
Tussen de derde vordering van [eiser] (zie 2.4) en de eerste twee vorderingen bestaat een zo nauwe band dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling en berechting daarvan om te vermijden dat bij afzonderlijke berechting onverenigbare beslissingen worden gegeven. [4] Datzelfde geldt voor de vorderingen die [eiser] baseert op onrechtmatige daad. Volgens [eiser] heeft [gedaagde] onrechtmatig gehandeld door inbreuk te maken op haar eigendomsrecht ten aanzien van de spermarietjes en door als voorlopige maatregel een verbod te vorderen om deze rietjes te mogen aanbieden en verkopen en dat verbod te handhaven. Om deze gestelde onrechtmatigheid te beoordelen zal de rechtbank eveneens moeten uitgaan van dezelfde gegevens als bij de beoordeling van de gevorderde negatieve verklaringen voor recht, waaronder de koopovereenkomst uit 2010. Daar komt bij dat uit de rechtspraak van het Europese hof van Justitie volgt dat het begrip ‘verbintenissen uit onrechtmatige daad’ in de zin van artikel 7 lid Pro 2 (herschikte) EEX-verordening autonoom moet worden uitgelegd. De rechtbank dient daarbij na te gaan of deze vorderingen van [eiser] , ongeacht hoe deze naar nationaal recht worden gekwalificeerd, van contractuele aard zijn dan wel voortvloeien uit onrechtmatige daad, in de zin van de (herschikte) EEX-verordening. Een vordering, ook al is deze gebaseerd op onrechtmatig handelen, heeft betrekking op ‘verbintenissen uit overeenkomst’ in de zin van de (herschikte) EEX-verordening wanneer de uitleg van de overeenkomst tussen partijen noodzakelijk is om vast te stellen of de gedraging die eiser verwijt aan gedaagde, geoorloofd dan wel ongeoorloofd is. [5] Dat is hier het geval, omdat het voor de rechtbank noodzakelijk zal zijn om de koopovereenkomst tussen partijen uit te leggen om de vorderingen die [eiser] op een onrechtmatig handelen van [gedaagde] heeft gebaseerd te kunnen beoordelen. Dat brengt mee dat de Nederlandse rechter ook ten aanzien van deze vorderingen bevoegdheid toekomt aan de hand van artikel 7 lid Pro 1 (herschikte) EEX-verordening.
2.11.
Ook de subsidiaire en meer subsidiaire vorderingen van [eiser] hangen zo nauw samen met de primaire vorderingen dat een goede rechtsbedeling vraagt om gelijktijdige behandeling daarvan.
2.12.
[gedaagde] heeft de rechtbank verzocht om tussentijds hoger beroep open te stellen. De rechtbank wijst dit verzoek af. Tussentijds hoger beroep zou tot een onredelijke vertraging van de procedure leiden.
2.13.
De hoofdzaak zal worden verwezen naar de rol voor conclusie van antwoord.
2.14.
[gedaagde] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten en nakosten van het incident worden veroordeeld.

3.De beslissing

De rechtbank
in het incident
3.1.
wijst de vordering af;
3.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 844,50 aan salaris voor de advocaat te voldoen binnen veertien dagen na dagtekening van dit vonnis in het incident, en - voor het geval voldoening binnen bedoelde termijn niet plaatsvindt - te vermeerderen met de wettelijke rente te rekenen vanaf bedoelde termijn voor voldoening;
3.3.
veroordeelt [gedaagde] in de nakosten, begroot op € 163,- met bepaling dat dit bedrag zal worden verhoogd met € 85,- in geval [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan deze uitspraak heeft voldaan en betekening heeft plaatsgevonden, een en ander vermeerderd met de wettelijke rente te rekenen vanaf veertien dagen na aanschrijving en betekening;
3.4.
verklaart het vonnis voor wat betreft de kostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad;
in de hoofdzaak
3.5.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
6 april 2022voor conclusie van antwoord.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.P.M. Hennekens en in het openbaar uitgesproken op 23 februari 2022.

Voetnoten

1.Verordening (EU) Nr. 1215/2012 van het Europees Parlement en de Raad van 12 december 2012
2.Zie onder meer HvJ EU 28 januari 2015, C-375/13, ECLI:EU:C:2015:37 (Kolassa/Barclays Bank)
3.Vergelijk HvJ EU 25 oktober 2012, C-133/11, ECLI:EU:C:2012:664 (Folien Fischer/ Ritrama)
4.Vergelijk artikel 30 lid Pro 3 (herschikte) EEX-verordening
5.Zie onder meer HvJ EU 24 november 2020, C-59/19, ECLI:EU:C:2020:950