ECLI:NL:RBGEL:2023:1043

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 maart 2023
Publicatiedatum
1 maart 2023
Zaaknummer
10257578
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Beschikking
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:33 BWArt. 3:35 BWArt. 3:44 lid 4 BWArt. 3:302 BWArt. 7:611 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing verzoek tot niet-beëindiging arbeidsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden

De zaak betreft een geschil over de beëindiging van een arbeidsovereenkomst tussen een algemeen coffeeshopmedewerker en zijn werkgever, een commanditaire vennootschap die een coffeeshop exploiteert. De medewerker had zijn arbeidsovereenkomst opgezegd na een gesprek waarin hij werd geconfronteerd met opmerkingen over zijn functioneren en vermeende nevenactiviteiten. Kort na het gesprek trok hij zijn ontslag in, stellende dat hij onder druk was gezet.

De kantonrechter beoordeelde of sprake was van een wilsgebrek, in het bijzonder misbruik van omstandigheden, waardoor de opzegging niet rechtsgeldig zou zijn. De verzoeker kon niet aannemelijk maken dat hij onder zodanige druk stond dat hij de opzeggingsbrief niet vrijwillig had ondertekend. De werkgever stelde dat de werknemer was geconfronteerd met een voornemen tot ontslag op staande voet vanwege ontoelaatbare nevenactiviteiten, waarop de werknemer zelf voor opzegging koos.

De kantonrechter oordeelde dat geen misbruik van omstandigheden was vastgesteld en dat de arbeidsovereenkomst rechtsgeldig was beëindigd. Tevens werd overwogen dat de arbeidsovereenkomst in ieder geval per 31 januari 2023 zou eindigen. Het verzoek tot toelating tot de werkvloer en loondoorbetaling werd afgewezen en de verzoeker werd veroordeeld in de proceskosten.

Uitkomst: Het verzoek tot niet-beëindiging van de arbeidsovereenkomst wegens misbruik van omstandigheden wordt afgewezen en de arbeidsovereenkomst is rechtsgeldig geëindigd.

Uitspraak

beschikking
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 10257578 \ HA VERZ 22-163 \ 520 \ 32268
uitspraak van 1 maart 2023
beschikking
in de zaak van
[verzoekende partij]
wonende te [plaats]
verzoekende partij
gemachtigde mr. I.P. Rietveld
procederende krachtens toevoegingsnummer 2GN3841
en

1.de commanditaire vennootschap [verwerende partij 1]

gevestigd te [plaats]
2. [verwerende partij 2]
wonende te [plaats]
verwerende partijen
gemachtigde mr. R.G.M. Michels
Partijen worden hierna [verzoekende partij] en [verwerende partijen] genoemd.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het (voorwaardelijk) verzoekschrift van 23 december 2022;
- het verweerschrift van 21 januari 2023;
- de mondelinge behandeling van 1 februari 2023;
1.2.
Vervolgens is beschikking bepaald.

2.De feiten

2.1.
De heer [verwerende partij 2] (hierna: [verwerende partij 2] ) exploiteert een coffeeshop onder de naam [verwerende partij 1] en is beherend vennoot.
2.2.
[verzoekende partij] is op 1 oktober 2021 bij [verwerende partijen] in dienst getreden in de functie van algemeen coffeeshopmedewerker op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd van 8 maanden. De arbeidsovereenkomst is op 1 juni 2021 stilzwijgend verlengd tot 31 januari 2023.
2.3.
Op 31 oktober 2022 heeft een gesprek plaatsgevonden tussen [verzoekende partij] , [verwerende partij 2] , zijn echtgenote mevrouw [betrokkene 1] (boekhoudster) en zijn neef de heer [betrokkene 2] (leidinggevende). In dat gesprek zijn de volgende drie onderwerpen besproken:
- [verzoekende partij] zou over een product in de coffeeshop hebben gezegd dat hij vond dat dit niet zo lekker rook, maar volgens collega’s wel lekker was;
- [verzoekende partij] zou een opmerking hebben gemaakt dat hij een beter product zou kunnen regelen;
- [verzoekende partij] zou er de laatste tijd erg vermoeid uit zien.
2.4.
Tijdens dat gesprek heeft [verzoekende partij] een brief met de volgende inhoud ondertekend:
Sinds 1 oktober 2021 ben ik bij u in dienst van algemeen medewerker.
Hierbij zeg ik mijn arbeidscontract op per 31 oktober 2022.
Graag wil ik jullie bedanken voor onze samenwerking.
2.5.
Diezelfde dag om 20.57 uur heeft [verzoekende partij] een e-mail gestuurd aan [verwerende partijen] waarin hij zijn ontslagverklaring intrekt omdat hij zich onder druk gezet voelde. Verder heeft [verzoekende partij] zich ziekgemeld.
2.6.
Per e-mail van 1 november 2022 heeft [verwerende partijen] als volgt gereageerd:
Je hebt nog 5 vrij dagen tegoed en die zullen op 26 november over gemaakt worden op jou bank rekening.
Wij kunnen ons niet vinden in de mail die je gezonden hebt en zullen er verder ook niets mee doen.
Wij zullen verder alles netjes met je afhandelen.
Veel succes met je opleiding.
2.7.
Bij brief van 18 november 2022 heeft de gemachtigde van [verzoekende partij] een brief gestuurd aan [verwerende partijen] met daarin het verzoek om loondoorbetaling.

3.Het verzoek en het verweer

3.1.
[verzoekende partij] verzoekt bij beschikking, bij uitvoerbaar bij voorraad te verklaren beschikking:
a. vast te stellen dat het dienstverband niet is beëindigd;
b. [verwerende partijen] te veroordelen tot toelating van hem tot de werkvloer ten einde de gebruikelijke werkzaamheden te verrichten, zodra hij hersteld is, op straffe van een dwangsom van € 500,00, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, voor elke dag of een gedeelte daarvan dat [verwerende partijen] in gebreke blijft aan de beschikking te voldoen;
c. doorbetaling van het verschuldigde salaris van € 12.83 bruto per uur gedurende 15,5 uur per week, vermeerderd met alle emolumenten, waaronder vakantietoeslag, vanaf 1 november 2022, tot de dag dat de dienstbetrekking rechtsgeldig geëindigd zal zijn, te vermeerderen met de wettelijke verhoging van 50% wegens vertraging over het aan [verzoekende partij] toekomende loon en de wettelijke rente;
d. verstrekking van de salarisspecificaties vanaf 31 oktober 2022, op straffe van een dwangsom van € 100,00 per dag, althans een door de kantonrechter in goede justitie te bepalen dwangsom per dag, met een maximum van € 10.000,00 voor elke dag na 2 dagen na de datum van de beschikking dat [verwerende partijen] niet voldoet aan de beschikking;
e. [verwerende partijen] te veroordelen tot het betalen van een schadevergoeding van € 5.000,00 wegens handelen in strijd met artikel 7:611 BW Pro;
f. [verwerende partijen] te veroordelen in de kosten en de nakosten van deze procedure, vermeerderd met de wettelijke rente vanaf 14 dagen na dagtekening van deze beschikking.
3.2.
Volgens [verzoekende partij] is geen sprake van een opzegging zijnerzijds, althans is deze onder druk tot stand gekomen. De arbeidsovereenkomst is dan ook in stand gebleven en
[verwerende partijen] is gehouden het overeengekomen salaris door te betalen. Zodra hij weer is hersteld, wil hij weer aan het werk. Verder heeft hij als gevolg van de op hem uitgeoefende druk schade geleden, aldus [verzoekende partij] .
3.3.
[verwerende partijen] voert verweer waarop hierna, voor zover van belang, nader zal worden ingegaan.

4.De beoordeling

Spoorwissel?
4.1.
[verwerende partijen] voert primair aan dat [verzoekende partij] een verklaring voor recht vraagt, een vordering volgens artikel 3:302 BW Pro. Omdat [verzoekende partij] dit bij dagvaarding had moeten indienen en niet bij verzoekschrift, dient hij niet-ontvankelijk verklaard te worden volgens [verwerende partijen] .
4.2.
Het onderhavige geding is gebaseerd op afdeling 9 van titel 10 BW. Het verzoek van [verzoekende partij] houdt immers verband met het einde van de arbeidsovereenkomst. De gedingen die op het in, bij of krachtens voornoemde afdeling bepaalde zijn gebaseerd, worden ingeleid met een verzoekschrift (artikel 7:686a lid 2 BW). Uit lid 3 volgt vervolgens dat in gedingen die bij of krachtens afdeling 9 van titel 10 worden gevoerd, daarmee verband houdende andere vorderingen eveneens kunnen worden ingediend bij verzoekschrift. [verzoekende partij] heeft de juiste rechtsingang gekozen en om die reden zal de procedure worden voortgezet volgens de regels die gelden voor de verzoekschriftprocedure.
Wellicht ten overvloede wordt nog opgemerkt dat gebruikmaking van een verkeerde rechtsingang niet leidt tot niet-ontvankelijkheid, maar tot omzetting van de procedure (met een zogenaamde “spoorwissel” naar de juiste procedure, zie artikel 69 Rv Pro).
Einde arbeidsovereenkomst?
4.3.
Vooropgesteld wordt het volgende.
Er moet onderscheid worden gemaakt tussen het geval waarin een partij zich beroept op de omstandigheid dat een met de verklaring overeenstemmende wil ontbrak (zie de artikelen 3:33 en 3:35 BW) en het geval waarin een partij zich niet beroept op het ontbreken van zijn wil, maar op het feit dat de daadwerkelijk aanwezige wil onder invloed van een wilsgebrek is gevormd.
4.4.
In casu ligt er met de hiervoor onder 2.4 vermelde brief een (op zichzelf duidelijke en ondubbelzinnige) verklaring van [verzoekende partij] waarin hij de arbeidsovereenkomst opzegt. Waarom [verwerende partijen] daarop (desalniettemin) redelijkerwijs niet mocht vertrouwen, valt niet in te zien.
4.5.
De vraag is (dus) of, zoals [verzoekende partij] ook stelt, sprake is van een wilsgebrek.
Volgens [verzoekende partij] is hij enorm onder druk gezet om zelf op te zeggen. Dit vat de kantonrechter op als een beroep op misbruik van omstandigheden.
4.6.
Misbruik van omstandigheden is aanwezig, aldus artikel 3:44 lid 4 BW Pro, wanneer iemand die weet of moet begrijpen dat een ander door bijzondere omstandigheden, zoals noodtoestand, afhankelijkheid, lichtzinnigheid, abnormale geestestoestand of onervarenheid, bewogen wordt tot het verrichten van een rechtshandeling, het tot stand komen van die rechtshandeling bevordert, ofschoon hetgeen hij weet of moet begrijpen hem daarvan zou behoren te weerhouden.
De partij die een beroep doet op het bestaan van misbruik van omstandigheden, draagt de stelplicht en bewijslast ten aanzien van het misbruik van omstandigheden als zodanig en het causaal verband tussen (de inhoud van) de overeenkomst en dat misbruik. Aan de stelplicht en bewijslast ten aanzien van dit laatste mogen geen te hoge eisen worden gesteld; er moet aannemelijk worden gemaakt dat de rechtshandeling onder andere omstandigheden niet (zo) verricht zou zijn.
4.7.
Naar het oordeel van de kantonrechter heeft [verzoekende partij] niet voldaan aan zijn stelplicht. Niet, althans niet zonder nadere onderbouwing, die ontbreekt, valt in te zien waarom hij zich door opmerkingen over de hiervoor onder 2.3 vermelde onderwerpen zodanig onder druk gezet voelde dat hij zich genoodzaakt zag de opzeggingsbrief te ondertekenen.
4.8.
[verwerende partijen] heeft een andere versie van de gebeurtenissen dan [verzoekende partij] . Volgens haar heeft zij [verzoekende partij] geconfronteerd met haar bevindingen omtrent zijn tijdens zijn werk in de coffeeshop ontplooide “nevenactiviteiten”, te weten het voor zichzelf in- en verkopen van drugs. Dit is, zoals ook [verzoekende partij] wist, ontoelaatbaar. Voor de keuze gesteld tussen een ontslag op staande voet of zelf opzeggen heeft hij voor dat laatste gekozen, aldus [verwerende partijen] .
4.9.
Hoewel (ook) in het geval dat een werkgever een werknemer plotseling en onverwacht confronteert met een voornemen tot ontslag op staande voet over te gaan en de werknemer als het ware dwingt om ontslag te nemen sprake kan zijn van misbruik van omstandigheden, is dit in casu (dus) niet komen vast te staan. Daarbij wordt, ten overvloede, opgemerkt dat van misbruik van omstandigheden minder snel sprake zal zijn in een geval waarin (vaststaat dat) de werknemer laakbaar heeft gehandeld en, geconfronteerd met een voornemen van de werkgever om hem daarom op staande voet te ontslaan, “eieren voor zijn geld kiest”.
Conclusie
4.10.
Uit het voorgaande volgt dat geen van de verzoeken voor toewijzing in aanmerking komen.
4.11.
Ten overvloede wordt nog overwogen dat de arbeidsovereenkomst hoe dan ook zou eindigen per 31 januari 2023. De sanctie op het niet aanzeggen van het einde van het dienstverband is immers niet, anders dan [verzoekende partij] lijkt te veronderstellen, dat het dienstverband doorloopt, maar dat een aanzegvergoeding verschuldigd wordt.
4.12.
[verzoekende partij] wordt in het ongelijk gesteld en dient daarom de proceskosten te dragen.

5.De beslissing

De kantonrechter,
5.1.
wijst de verzoeken van [verzoekende partij] af;
5.2.
veroordeelt [verzoekende partij] in de proceskosten, aan de zijde van [verwerende partijen] begroot op € 86,00 aan griffierecht en € 793,00 aan salaris voor de gemachtigde;
5.3.
verklaart deze veroordeling uitvoerbaar bij voorraad.
Deze beschikking is gegeven door de kantonrechter mr. E. Horsthuis en in het openbaar uitgesproken op 1 maart 2023.