ECLI:NL:RBGEL:2023:124

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
18 januari 2023
Publicatiedatum
12 januari 2023
Zaaknummer
C/05/406442 / HZ ZA 22-220
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Toewijzend
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 337 lid 2 RvArt. 4:63 lid 3 BW
Verwijzingen
3 uitgaand · 1 inkomend
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Toestemming tussentijds hoger beroep tegen incidenteel vonnis inzake contantenverklaring nalatenschap

In deze civiele zaak bij de rechtbank Gelderland betreft het een verzoek tot tussentijds hoger beroep tegen een incidenteel vonnis van 21 september 2022. De betrokken partijen zijn erfgenamen en vereffenaars van een nalatenschap, waarbij een tussenkomende partij is toegelaten op grond van een contantenverklaring volgens artikel 4:63 lid 3 BW Pro.

De verzoekende partij kan zich niet verenigen met het oordeel van de rechtbank dat de tussenkomende partij tijdig en correct de contantenverklaring heeft afgelegd, waardoor deze legitimaris is en is toegelaten in de procedure. Dit oordeel heeft grote invloed op de verdere behandeling van de zaak en leidt tot een aanzienlijke uitbreiding van de procedure.

Gezien het principiële karakter van het oordeel, de beperkte jurisprudentie over de uitleg van artikel 4:63 lid 3 BW Pro en de mogelijke besparing van tijd en kosten bij een andersluidend oordeel, acht de rechtbank de vertraging door tussentijds hoger beroep niet onredelijk en wijst het verzoek toe.

De zaak wordt verwezen naar de parkeerrol in afwachting van het hoger beroep en verdere beslissingen worden aangehouden. Het vonnis is gewezen door rechter D.T. Boks en op 18 januari 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De rechtbank staat tussentijds hoger beroep toe tegen het incidenteel vonnis en verwijst de zaak naar de parkeerrol.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/406442 / HZ ZA 22-220
Vonnis van 18 januari 2023
in de zaak van
1.
[eiser in conv./verw. in reconv./verw. in het inc. sub 1], in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van [naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.
[eiser in conv./verw. in reconv./verw. in het inc. sub 2], in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van [naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
3.
[eiser in conv./verw. in reconv./verw. in het inc. sub 3], in zijn hoedanigheid van erfgenaam en vereffenaar in de nalatenschap van [naam 1] ,
wonende te [woonplaats] ,
eisers in conventie in de hoofdzaak,
verweerders in reconventie in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. R.M.J.K.M. Teeuwen te Roermond,
tegen
1.
[ged. in conv./eis in reconv./verw. in het inc. sub 1], in haar hoedanigheid van erfgenaam van [naam 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
2.
[ged. in conv./eis in reconv./verw. in het inc. sub 2] ,
wonende te [woonplaats] ,
3.
[ged. in conv./eis in reconv./verw. in het inc. sub 3],
wonende te [woonplaats] ,
4.
[ged. in conv./eis in reconv./verw. in het inc. sub 4],
wonende te [woonplaats] ,
gedaagden in conventie in de hoofdzaak,
eisers in reconventie in de hoofdzaak,
verweerders in het incident,
advocaat mr. S.R. Baetens te Eindhoven,
en
[interveniënt],
wonende te [woonplaats] ,
interveniënt,
advocaat mr. L.J.J. van Wijk te Elsloo, gemeente Stein.
Partijen zullen hierna [eisers in conv./verw. in reconv./verw. in het inc.] en [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] en [interveniënt] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- het tussenvonnis van 23 november 2022
- het van de zijde van [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] op 14 december 2022 ingekomen verzoek om hoger beroep in te mogen instellen tegen het incidenteel vonnis van 21 september 2021
- het B11-formulier van de zijde van [interveniënt] van 9 januari 2023
- het B11-formulier van de zijde van [eisers in conv./verw. in reconv./verw. in het inc.] van 11 januari 2023.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.De beoordeling

2.1.
Het verzoek van [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] strekt er toe om een uitzondering te maken op de in artikel 337 lid 2 Rv Pro neergelegde hoofdregel dat hoger beroep van een tussenvonnis slechts is toegestaan tegelijk met hoger beroep tegen het eindvonnis.
2.2.
Uit de door [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] op haar verzoek gegeven toelichting volgt dat zij zich niet kan verenigen met het oordeel van de rechtbank dat er op neerkomt dat [interveniënt] tijdig en op de juiste wijze de contantenverklaring van artikel 4:63 lid 3 BW Pro heeft afgelegd. Dit oordeel brengt mee dat [interveniënt] legitimaris is en om die reden is hij toegelaten als tussenkomende partij in het geschil tussen [eisers in conv./verw. in reconv./verw. in het inc.] en [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] Bij een andersluidend oordeel was [interveniënt] niet toegelaten als tussenkomende partij. Het door [ged. in conv./eisers in reconv./verw. in het inc.] bestreden oordeel is daarmee van grote invloed op de verdere behandeling van deze zaak, aangezien het oordeel heeft geleid tot een aanzienlijke uitbreiding van de procedure. Een andersluidend oordeel in hoger beroep zal partijen investeringen in tijd en kosten besparen. De vorderingen van [interveniënt] hoeven dan in deze procedure immers niet meer behandeld te worden. Daarbij komt dat er weinig jurisprudentie is over de uitleg van artikel 4:63 lid 3 BW Pro en het oordeel van de rechtbank is principieel van aard. De vertraging die deze procedure oploopt door het openstellen van tussentijds hoger beroep acht de rechtbank gelet op het voorgaande niet onredelijk. De rechtbank zal het verzoek toewijzen.
2.3.
In afwachting van de uitkomsten van het hoger beroep zal de onderhavige procedure naar de parkeerrol worden verwezen. De rechtbank zal iedere verdere beslissing aanhouden.

3.De beslissing

De rechtbank
in conventie en in reconventie
3.1.
wijst het verzoek tot het openstellen van hoger beroep tegen het incidenteel vonnis van 21 september 2022 toe,
3.2.
verwijst de zaak naar de parkeerrol van
4 oktober 2023,
3.3.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. D.T. Boks en in het openbaar uitgesproken op 18 januari 2023.
ES/DB