Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.de vennootschap onder firma [eis in conv sub 1] VOF,
2. [eis in conv sub 2] ,
3. [eis in conv sub 3] ,
gemachtigde: mr. E. van Sark,
Rechtbank Gelderland
In deze civiele zaak stond de vraag centraal of de coronacrisis een onvoorziene omstandigheid vormde die rechtvaardigde dat de gedaagde partij de overnameovereenkomst van een inburgeringsschool niet ongewijzigd hoefde na te komen. De rechtbank overwoog dat hoewel de coronacrisis als onvoorziene omstandigheid kwalificeert, dit niet leidt tot een fundamentele verstoring van het contractuele evenwicht of onmogelijkheid van nakoming.
De gedaagde stelde dat zij door de coronamaatregelen haar bedrijfsactiviteiten volledig moest staken en daardoor omzet misliep. De rechtbank vond deze stellingen onvoldoende onderbouwd, mede omdat financiële overzichten lieten zien dat er ook tijdens coronaperiodes omzet werd gegenereerd en dat afstandsonderwijs mogelijk was. Verder werd onvoldoende aangetoond dat het financiële nadeel direct aan de coronamaatregelen te wijten was.
De rechtbank concludeerde dat de gedaagde het restant van de overeengekomen prijs verschuldigd is, zij het een lager bedrag dan gevorderd, en veroordeelde haar tot betaling van de hoofdsom, contractuele rente en buitengerechtelijke incassokosten. De overige vorderingen werden afgewezen en de proceskosten werden aan de gedaagde opgelegd.
Uitkomst: Beroep op onvoorziene omstandigheden faalt; gedaagde veroordeeld tot betaling van €19.762,50 plus rente en incassokosten.