ECLI:NL:RBGEL:2023:2472
Rechtbank Gelderland
- Op tegenspraak
- Rechtspraak.nl
Vrijspraak ontucht met minderjarige neefjes wegens onvoldoende bewijs
Verdachte werd beschuldigd van ontuchtige handelingen met twee minderjarige neefjes in de periode van 2011 tot 2018, waarbij verschillende seksuele handelingen ten laste werden gelegd. De officier van justitie vorderde een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 8 maanden voorwaardelijk, met bijzondere voorwaarden zoals meldplicht en ambulante behandeling. De verdediging pleitte voor vrijspraak.
De rechtbank beoordeelde het bewijs aan de hand van artikel 342, tweede lid, Sv, dat vereist dat een bewezenverklaring niet uitsluitend kan steunen op de verklaring van één getuige zonder voldoende steunbewijs. De verklaringen van de twee slachtoffers stonden los van elkaar en werden niet ondersteund door voldoende concreet bewijs. Getuigenverklaringen van de moeder van de slachtoffers en de dochter van verdachte boden onvoldoende steun, omdat zij hoofdzakelijk gebaseerd waren op de verklaringen van de slachtoffers zelf.
Verdachte ontkende de tenlastelegging en erkende slechts een gesprek over homoseksualiteit met een van de slachtoffers, dat volgens hem op een ander tijdstip en in aanwezigheid van een derde persoon plaatsvond. De rechtbank concludeerde dat het wettelijk bewijsminimum niet was gehaald en sprak verdachte vrij van alle tenlastegelegde feiten.
Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken wegens onvoldoende wettig en overtuigend bewijs voor ontucht met minderjarige neefjes.