Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
Uitleveringswet
Rechtbanknummer : 21-144
[verdachte]
1.Het verzoek en de procedure
2.Beoordeling van de toelaatbaarheid van de gevraagde uitlevering
racketeering conspiracy’ op een of meer tijdstippen in of omstreeks de periode van oktober 2019 tot en met 28 mei 2021 in en/of vanuit Nederland en/of in de Verenigde Staten en/of in/buiten Europa, en/of elders. Zijn uitlevering wordt verzocht met het oog op de berechting daarvan.
diplomatic notevan 21 juli 2021 is het volgende vermeld:
affidavitblijkt het volgende:
diplomatic note,
affidaviten het aanhoudingsbevel blijkt dat de aanhouding en dagvaarding van de opgeëiste persoon ook zou zijn gerechtvaardigd indien het feit in Nederland zou zijn gepleegd. Ook blijkt uit deze stukken dat het feit gepleegd is tussen oktober 2019 en 28 mei 2021 (par. 29 Indictment).
affidavit in support of request for extraditionvan 18 juni 2021 waarin het resultaat en het verloop van het onderzoek uiteen wordt gezet; hoe de opgeëiste persoon in beeld is gekomen, waarin de handelingen van de opgeëiste persoon zijn beschreven, alsmede zijn vermeende rol en zijn aandeel in het strafbare feit. Verwezen wordt naar hetgeen hiervoor is overwogen in 2.3 t/m 2.6. Op grond hiervan is de rechtbank van oordeel dat voldaan is aan de eis van artikel 9, derde lid, aanhef en onder b, van het Verdrag.
affidavitstaan pleegperiode en pleegplaats voldoende vast en daarnaast blijkt dat de strafbare gedragingen onder meer in de Verenigde Staten van Amerika hebben plaatsgevonden, zodat aan het vereiste van tijd en plaats conform artikel 9, tweede lid, aanhef en onder b van het Verdrag is voldaan. Tevens is hiermee vast komen te staan dat het feit niet uitsluitend buiten het grondgebied van de Verenigde Staten is gepleegd en hoefde de justitiële autoriteit van de Verenigde Staten krachtens artikel 9, tweede lid, aanhef en onder e, van het Verdrag niet bij het verzoek tot uitlevering te vermelden op grond van welke wetsartikelen rechtsmacht aan de Verenigde Staten kan worden toegekend.
proceedings” zo ruim zou moeten worden opgevat als hij voorstaat en 2) waarom deze regeling van overeenkomstige toepassing zou zijn in onderhavige zaak. Dit verweer wordt verworpen.
[verdachte]met het oog op strafvervolging van:
Rechtbanknummer : 21-144
[verdachte]
plea bargaining’ zoals in de Verenigde Staten niet ongebruikelijk is. Kennelijk heeft betrokkene daarbij ingestemd met een strafvermindering onder gelijktijdige afstand van het recht dat de terugkeergarantie biedt. Niettemin is het dubieus of een dergelijke ‘
plea bargaining’ waarbij een verdachte zich onder druk gezet kan voelen in te stemmen met het afstand doen van zijn verdragsrechtelijk recht om de opgelegde straf in eigen land uit te zitten, aanvaardbaar is. De rechtbank zal dit verzoek overnemen.