Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de producties van [gedaagde partij]
- de mondelinge behandeling
- de pleitnota van [eisende partij]
- de pleitnota van [gedaagde partij] .
Rechtbank Gelderland
Eiser, een autohandelaar, verkocht in 2021 een auto aan gedaagde voor €68.000,- inclusief btw. Na discussie over de btw- of margekarakterisering van de auto startte gedaagde een procedure, die in hoger beroep leidde tot een arrest waarin eiser werd veroordeeld tot het verstrekken van het bezit van de auto en een factuur met een btw-component van €11.801,65.
Eiser verstrekte een factuur met een lagere btw-component (€10.096,22) vanwege een bpm-post, wat leidde tot een executiegeschil waarin eiser vorderde dat gedaagde de tenuitvoerlegging staakt omdat eiser aan het arrest zou hebben voldaan. Gedaagde betwistte dit en stelde dat eiser niet aan het arrest voldeed.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eiser niet aan het arrest had voldaan omdat het arrest expliciet een factuur met een btw-component van €11.801,65 voorschreef. Eiser had onvoldoende aannemelijk gemaakt dat nakoming onmogelijk was. De geringe tekortkoming rechtvaardigde geen schorsing van de executie. De vorderingen werden afgewezen en eiser werd veroordeeld in de proceskosten.
Uitkomst: De vorderingen van eiser worden afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.