De werknemer trad in 2018 in dienst bij een uitzendbureau op basis van een arbeidsovereenkomst voor bepaalde tijd. Tijdens ziekte vanaf mei 2022 werd het contract niet verlengd na afloop van de termijn. De werknemer stelde dat de niet-verlenging in strijd was met het opzegverbod tijdens ziekte, de Wet gelijke behandeling handicap of chronische ziekte en dat sprake was van ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever, waaronder onterechte loonopschorting en onvoldoende re-integratie.
De werkgever voerde aan dat het opzegverbod niet ziet op aanzegging van het einde van een contract voor bepaalde tijd, dat zij te goeder trouw handelde en dat de transitievergoeding was voldaan. De kantonrechter oordeelde dat het opzegverbod tijdens ziekte niet van toepassing is op aanzegging van het einde van rechtswege van een contract voor bepaalde tijd. Ook was geen sprake van discriminatie of ernstig verwijtbaar handelen van de werkgever.
De loonopschorting was onterecht, maar dit leidde niet tot het causaliteitsvereiste voor een billijke vergoeding. De werkgever had de loonbetaling hervat na advies van de bedrijfsarts. De verzoeken van de werknemer tot verklaring voor recht en billijke vergoeding werden afgewezen. De proceskosten werden gecompenseerd.