Het college van burgemeester en wethouders van de gemeente Oost Gelre verleende een omgevingsvergunning voor het uitbreiden van een varkenshouderij naar 4.384 vleesvarkens. Eisers, bewoners nabij de varkenshouderij, stelden beroep in tegen dit besluit vanwege vermeende schendingen van geur- en geluidseisen en het ontbreken van een milieueffectrapport.
De rechtbank oordeelde dat de naastgelegen woning, ondanks herbouw op een andere locatie binnen hetzelfde perceel, als voormalige agrarische bedrijfswoning moet worden aangemerkt. Hierdoor gelden richtafstanden in plaats van geurnormen, en aan deze richtafstanden wordt voldaan. Het college motiveerde dat er geen belangrijke nadelige milieugevolgen zijn die een milieueffectrapport vereisen, mede omdat de geurbelasting afneemt en de endotoxine-emissie lager is dan in de vergunde situatie.
Ten aanzien van geluid is het college overgegaan tot wijziging van geluidsvoorschriften, waarbij onder meer het verladen van varkens één keer per week in de nachtperiode is toegestaan. Eisers voerden bezwaar aan tegen de wijzigingsprocedure en de inhoud van de voorschriften, maar de rechtbank oordeelde dat de wijzigingen van ondergeschikte aard zijn en dat het college bevoegd was de wijzigingen ambtshalve door te voeren zonder schending van het verbod op reformatio in peius.
De rechtbank vernietigde de besluiten wegens een motiveringsgebrek in de milieueffectrapportagebeoordeling, maar liet de rechtsgevolgen van de vergunning in stand omdat het college dit gebrek had hersteld met aanvullende motivering. Het college werd veroordeeld tot vergoeding van griffierecht en proceskosten aan eisers.