In deze kortgedingprocedure vordert eiser betaling van achterstallige vergoedingen en toekomstige maandelijkse betalingen door gedaagde, een besloten vennootschap waarvan de ex-partner van eiser bestuurder is. Eiser stelt dat er een duurovereenkomst van opdracht bestaat en dat gedaagde de betalingsverplichtingen niet nakomt sinds juli 2022, na het beëindigen van hun affectieve relatie.
De rechtbank kwalificeert de overeenkomst als een overeenkomst van opdracht en constateert dat eiser vanaf september/oktober 2022 tot medio januari 2023 vanwege gezondheidsredenen weinig tot geen werkzaamheden heeft verricht en vanaf eind april 2023 helemaal niet meer. Er is geen aannemelijk bewijs dat betaling verschuldigd is over perioden zonder werkzaamheden. Tevens is het spoedeisend belang onvoldoende onderbouwd, mede omdat eiser niet eerder een bodemprocedure is gestart en sinds april 2023 geen andere werkzaamheden heeft gezocht.
Gezien het ontbreken van voldoende aannemelijkheid en spoedeisend belang wijst de rechtbank de vorderingen af en veroordeelt eiser in de proceskosten. Gedaagde is verstek verleend wegens niet verschijnen.