Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.[eis.conv./verw.reconv. 1] ,
[eis.conv./verw.reconv. 2],
1.[ged.conv./eis.reconv. 1] ,2. [ged.conv./eis.reconv. 2] ,3. [ged.conv./eis.reconv. 3] ,
1.De procedure
2.De feiten
“zoals schetsmatig met arcering is aangegeven op een aan deze akte gehechte tekening, inhoudende het recht om over het bestaande voetpad te komen van en te gaan naar de openbare weg, in casu de [straat 1] ”
3.Het geschil
4.De beoordeling
“(…) In de jaren 70 (rond 1975) (…) is het ijzeren hekwerk met gaas geplaatst (…).
De tekening van het kadaster (figuur)(de kaart weergegeven in r.o. 2.4, rb
) laat een situatie zien die nooit plaats heeft gevonden. (…)”
“Samen met de eigenaren van [adres 2] in eind jaren 70/ begin jaren 80 besloten om het pad bij de tuin te trekken. Dit is in overleg gebeurd met de huisbaas.
[ged.conv./eis.reconv. 3] in 2019 gekocht van verhuurder [voormalige bewoner adres 10] . Gelet op voornoemde omstandigheden is onvoldoende komen vast te staan dat (de rechtsvoorgangers van) gedaagden als eigenaren van een heersend erf de afgelopen 20 jaar onafgebroken ondubbelzinnig bezit van een erfdienstbaarheid hebben gehad op grond waarvan zij het dienende erf (de grond van [eis.conv./verw.reconv. 1+2] ) mochten gebruiken om van en naar de openbare weg te gaan. Dat geldt te meer nu de woningen van gedaagden kennelijk pas op enig (niet gesteld of gebleken) moment na 1997 eigendom van de bewoners van de [straat 1] (rechtsvoorgangers van gedaagden) zijn geworden. Daarbij hebben gedaagden ook niet gesteld wanneer de verjaringstermijn is gaan lopen en wanneer die is voltooid. De conclusie is dan ook dat gedaagden hun beroep op verjaring onvoldoende hebben onderbouwd, zodat niet is gebleken van een recht van erfdienstbaarheid op de grond van [eis.conv./verw.reconv. 1+2] (het pad).
5.De beslissing
5 juli 2023.