De budgethouder ontving een persoonsgebonden budget (pgb) voor zorg in 2019. Het zorgkantoor stelde later vast dat er te veel pgb was uitbetaald en besloot dit bedrag terug te vorderen. De rechtbank oordeelt dat het zorgkantoor de controle op de zorginhoud en kwaliteit pas na het huisbezoek in september 2019 uitvoerde, terwijl deze controle vooraf had moeten plaatsvinden om onregelmatigheden te voorkomen.
Het zorgkantoor handelde niet voortvarend na ontvangst van signalen en betaalde mogelijk te lang en te veel pgb uit. Daarnaast was de administratie van het zorgkantoor niet op orde, wat het vertrouwen in het besluit schaadt. De rechtbank volgt de jurisprudentie van de Centrale Raad van Beroep dat controles aan de voorkant essentieel zijn en dat de gevolgen van een gebrekkige controle niet zonder meer op de budgethouder mogen worden afgewenteld.
Daarom wordt het bestreden besluit vernietigd en moet het zorgkantoor een nieuwe beslissing nemen. Tevens wordt het zorgkantoor veroordeeld tot vergoeding van proceskosten en griffierecht aan eiseres.