Verdachte werd beschuldigd van het dreigen met een terroristisch misdrijf door het sturen van een brief aan de Japanse ambassade in Luxemburg met daarin bedreigende passages gericht op het stadhuis in Arnhem.
De rechtbank onderzocht of de bedreiging zodanig was dat bij de bedreigden een redelijke vrees kon ontstaan dat het misdrijf daadwerkelijk zou worden uitgevoerd. De brief bleek onsamenhangend, met uiteenlopende onderwerpen en illustraties, waaronder een kaart van een berg in Israël en een tabel in het Frans.
De brief was gericht aan de Japanse ambassadeur in Luxemburg, terwijl de bedreigden zich vooral in Arnhem bevonden. Gezien de inhoud en de route van de brief oordeelde de rechtbank dat de bedreiging niet van dien aard was dat een redelijke vrees kon ontstaan.
De officier van justitie had primair gevorderd ontslag van rechtsvervolging wegens ontoerekeningsvatbaarheid, subsidiair gevangenisstraf gelijk aan het voorarrest. De verdediging pleitte vrijspraak wegens ontbreken van redelijke vrees en opzet.
De rechtbank sprak verdachte vrij van het ten laste gelegde feit omdat niet kon worden vastgesteld dat sprake was van strafbare bedreiging.