Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.De procedure
- het tussenvonnis van 28 december 2022
- de conclusie van antwoord in reconventie
- de akte overlegging producties 17 t/m 22 van [gedaagde conv/eiseres rec].
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling, gehouden op 5 april 2023
- de beslissing van de rolrechter van 12 april 2023, waarbij een nadere akte van [eiseres conv/verweerster rec] is geweigerd.
2.De feiten
e-mailbericht aan [gedaagde conv/eiseres rec] teruggekoppeld. Hierin staat, voor zover van belang:
3.Het geschil in conventie en reconventie
in conventieom bij vonnis, voor zover mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde conv/eiseres rec] te veroordelen tot betaling van € 79.629,52 in hoofdsom en € 1.505,55 aan buitengerechtelijke incassokosten, beide te vermeerderen met de wettelijke rente vanaf
[gedaagde conv/eiseres rec] dat [eiseres conv/verweerster rec] gehouden is de kosten die [gedaagde conv/eiseres rec] in dat kader heeft gemaakt op grond van artikel 7:21 lid 1 sub c BW Pro te betalen. Subsidiair stelt [gedaagde conv/eiseres rec] dat [eiseres conv/verweerster rec] de kosten van [gedaagde conv/eiseres rec] in het kader van een ongedaanmakingsverplichting op grond van artikel
6:277 BW moet vergoeden. Meer subsidiair is [gedaagde conv/eiseres rec] van mening dat [eiseres conv/verweerster rec] ongerechtvaardigd is verrijkt, omdat [gedaagde conv/eiseres rec] onverplicht heeft geholpen bij het vervangen van de grasmat. De kosten die [gedaagde conv/eiseres rec] in dat kader heeft gemaakt zijn [eiseres conv/verweerster rec] bespaard gebleven, zodat [eiseres conv/verweerster rec] die kosten aan [gedaagde conv/eiseres rec] moet terugbetalen.
4.De beoordeling
2.228,00(2 punten × tarief € 1.183,00)