De zaak betreft een geschil over de koop van een waterwoning die door eiser te koop was gezet. Op 9 juni 2023 ontving eiser een e-mail van gedaagde 2 waarin de aankoop werd bevestigd, maar gedaagde 2 sprak later uit van de koop af te zien. Eiser stelde dat er een koopovereenkomst was gesloten met gedaagde 1 of gedaagde 2, maar de rechtbank stelt vast dat er geen overeenstemming was over de koper, een essentieel onderdeel van de koop.
De rechtbank overweegt dat hoewel er overeenstemming was over het object en de prijs, onduidelijkheid bestond over wie de koper was. Eiser wisselde van standpunt over de koper en gedaagden gaven aan dat het bod niet namens hen was gedaan. Ook mocht eiser niet gerechtvaardigd vertrouwen op een koopovereenkomst met gedaagde 2 persoonlijk, mede omdat gedaagde 2 niet bevoegd was om gedaagde 1 te binden.
Verder was het voor eiser duidelijk of had hij moeten weten dat gedaagde 1, een vennootschap die handelt in kerkelijke goederen, niet de koper kon zijn van een particuliere woning. Ook ontbraken andere essentiële afspraken zoals de leveringsdatum. De vorderingen tot nakoming en schadevergoeding worden daarom afgewezen en eiser wordt veroordeeld in de proceskosten.