ECLI:NL:RBGEL:2023:5302

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
19 september 2023
Publicatiedatum
22 september 2023
Zaaknummer
05.302739.20 en 05.144498.18 (tul)
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Vrijspraak
Procedures
  • Verstek
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Vrijspraak wegens geslaagd beroep op noodweer bij poging zware mishandeling

Op 12 augustus 2020 vond in Apeldoorn een incident plaats waarbij verdachte werd geconfronteerd door vier personen. Tijdens deze confrontatie werd verdachte onverhoeds geslagen en vervolgens stak een van de personen een mes. Verdachte verdedigde zich met een kettingslot en raakte daarbij ten minste één van de aanvallers.

De officier van justitie vorderde vrijspraak voor het primair tenlastegelegde, maar stelde dat de subsidiaire mishandeling wettig en overtuigend bewezen kon worden en voerde aan dat het beroep op noodweer niet toekwam. De rechtbank stelde echter vast dat het gebruik van het kettingslot proportioneel was gezien de situatie en dat verdachte zich niet op een andere wijze kon onttrekken aan de aanval.

De rechtbank oordeelde dat sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding, waardoor het beroep op noodweer slaagde. Hierdoor kon niet worden bewezen dat de mishandeling wederrechtelijk was. Verdachte werd daarom vrijgesproken van zowel het primair als het subsidiair tenlastegelegde. Tevens werd de vordering tot tenuitvoerlegging afgewezen.

Uitkomst: Verdachte wordt vrijgesproken van poging tot zware mishandeling en mishandeling wegens geslaagd beroep op noodweer.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummers: 05.302739.20 en 05.144498.18 (tul)
Datum uitspraak : 19 september 2023
Verstek
vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatum] 1995 in [geboorteplaats] ,
uit andere hoofde gedetineerd in de [verblijfplaats] .
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op een openbare terechtzitting.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is, na toewijzing van een vordering tot wijziging van de tenlastelegging, ten laste gelegd dat:
hij op of omstreeks 12 augustus 2020 te Apeldoorn, ter uitvoering van het door verdachte voorgenomen misdrijf om aan een of meerdere personen, te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of
[betrokkene 4] opzettelijk zwaar lichamelijk letsel toe te brengen
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (steek)bewegingen in de richting van voornoemde personen heeft gemaakt en/of
- voornoemde personen met een (fiets)ketting, althans een voorwerp heeft geslagen en/of
- met een (fiets)ketting, althans een voorwerp, slaande bewegingen in de richting van voornoemde personen heeft gemaakt en/of
- voornoemde personen op/tegen het hoofd en/of lichaam heeft geslagen/gestompt, terwijl de uitvoering van dat voorgenomen misdrijf niet is voltooid;
subsidiair althans, indien het vorenstaande niet tot een veroordeling mocht of zou kunnen leiden:
hij op of omstreeks 12 augustus 2020 te Apeldoorn een of meerdere personen, te weten [betrokkene 1] en/of [betrokkene 2] en/of [betrokkene 3] en/of [betrokkene 4] heeft mishandeld door
- met een mes, althans een scherp en/of puntig voorwerp, (steek)bewegingen te maken in de richting van voornoemde personen en/of
- voornoemde personen te slaan met een (fiets)ketting, althans een voorwerp, en/of
- met een (fiets)ketting, althans een voorwerp, slaande bewegingen te maken in de richting van voornoemde personen, en/of
- voornoemde personen op/tegen het hoofd en/of lichaam te slaan/stompen.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gesteld dat verdachte vrijgesproken dient te worden van het primair tenlastegelegde, maar dat wettig en overtuigend bewezen kan worden dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan de subsidiair ten laste gelegde mishandeling. De officier van justitie heeft zich op het standpunt gesteld dat verdachte geen beroep op noodweer toekomt.
Beoordeling door de rechtbank
De rechtbank stelt vast dat uit het dossier naar voren komt dat verdachte meermalen met een kettingslot in de richting van vier personen heeft geslagen dan wel heeft uitgehaald. Daarbij heeft hij in ieder geval één van de personen geraakt met het kettingslot. Onvoldoende is vast komen te staan dat verdachte ook met een mes (steek)bewegingen heeft gemaakt in de richting van de vier personen. Ten aanzien van het primair tenlastegelegde overweegt de rechtbank dat het slaan, dan wel uithalen met een kettingslot onvoldoende is om te kunnen oordelen dat er een aanmerkelijke kans was dat (één van) de vier personen zwaar lichamelijk letsel zou(den) oplopen. De rechtbank zal verdachte daarom vrijspreken van het primair tenlastegelegde.
Ten aanzien van het subsidiair tenlastegelegde overweegt de rechtbank als volgt. Uit het dossier – in het bijzonder de camerabeelden – komt naar voren dat verdachte door vier personen werd benaderd. Er ontstond een discussie en verdachte werd door [betrokkene 2] onverhoeds op zijn achterhoofd geslagen met een gebalde vuist. Nadat verdachte op zijn achterhoofd werd geslagen door [betrokkene 2] , pakte verdachte een kettingslot uit zijn broek. Op datzelfde moment haalde [betrokkene 1] een groot mes uit de band van zijn broek. Verdachte haalde met het kettingslot uit naar de vier personen. Hierbij raakte hij in ieder geval één van hen. De vier personen haalden op hun beurt uit met hun vuisten, sloegen en stompten verdachte en schopten hem tegen het lichaam. Eén van de personen hield verdachte vast. Naast [betrokkene 1] was er een tweede persoon met een mes. Verdachte is ook in zijn achterwerk gestoken. De rechtbank is van oordeel dat hiermee sprake was van een ogenblikkelijke en wederrechtelijke aanranding van verdachte door de vier personen (noodweersituatie).
Vervolgens dient de rechtbank in te gaan op de vragen of de verdediging tegen de aanranding noodzakelijk was, of de gekozen wijze van verdediging tegen de aanranding geboden was en of verdachte zich had kunnen onttrekken aan de noodweersituatie (eisen van proportionaliteit en subsidiariteit). Om te beoordelen of verdachte zich had kunnen onttrekken aan de noodweersituatie is het van belang of verdachte anders had moeten én kunnen handelen.
Op het moment dat verdachte onverhoeds op zijn achterhoofd was geslagen en toen de vier personen op verdachte afkwamen, had verdachte maar een beperkt aantal keuzes om zich aan de situatie te onttrekken. Getalsmatig was verdachte sterk in het nadeel en de vier personen stonden zeer dichtbij, waardoor wegrennen van de groep geen reële mogelijkheid was. De keuze van het geweldsmiddel (het gebruik van het kettingslot) en de wijze waarop het is gebruikt, staan naar oordeel van de rechtbank in redelijke verhouding tot de ernst van de voortdurende aanranding van verdachte. Aan de verdachte komt daarom een beroep op noodweer toe.
Nu de rechtbank van oordeel is dat verdachte een geslaagd beroep op noodweer kan doen, kan niet wettig en overtuigend worden bewezen dat de hem ten laste gelegde mishandeling wederrechtelijk was. Het geslaagde beroep op noodweer ontneemt immers aan het geweld zijn wederrechtelijk karakter. Verdachte zal daarom worden vrijgesproken van het subsidiair ten laste gelegde feit.

3.De vordering tenuitvoerlegging

Nu verdachte integraal wordt vrijgesproken van de tenlastelegging, dient de onder parketnummer 05.144498.18 aangebrachte vordering tenuitvoerlegging te worden afgewezen.

4.De beslissing

De rechtbank:
 spreekt verdachte vrij van het primair en subsidiair tenlastegelegde;
 wijst de vordering tenuitvoerlegging af.
Dit vonnis is gewezen door mr. M.J. Ouweneel (voorzitter), mr. M.J. Wasmann en mr. M.G.E. ter Hart, rechters, in tegenwoordigheid van mr. V. Buscop, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 19 september 2023.