De zaak betreft een vordering van een aannemer die verbouwingswerkzaamheden heeft verricht aan een woning die toebehoorde aan de ex-partner van de gedaagde. De opdrachtgever is inmiddels overleden, waarna de aannemer zich tot de gedaagde wendde met een vordering uit ongerechtvaardigde verrijking.
De rechtbank oordeelt dat de vordering van de aannemer op de nalatenschap van de overleden opdrachtgever is verjaard, omdat onvoldoende bewijs is geleverd dat de verjaring tijdig is gestuit. De aannemer heeft nagelaten om relevante correspondentie of bewijs van erkenning door de nalatenschap te overleggen.
Gezien de verjaring van de vordering op de nalatenschap kan de aannemer geen beroep doen op ongerechtvaardigde verrijking jegens de gedaagde. De rechtbank wijst de vordering af en veroordeelt de aannemer in de proceskosten. De voorwaardelijke reconventionele vorderingen van de gedaagde behoeven geen beoordeling.