Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2023:5937

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
24 oktober 2023
Publicatiedatum
27 oktober 2023
Zaaknummer
05-800098-14
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Deels toewijzend
Procedures
  • Beschikking
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 77t SrArt. 6:6:32 SvArt. 2.3 lid 1 Wet Forensische ZorgWet Langdurige Zorg
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Terugplaatsing betrokkene in penitentiaire inrichting wegens niet-naleving voorwaarden PIJ-maatregel

Betrokkene is bij arrest van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden veroordeeld voor poging tot doodslag en kreeg een voorwaardelijke PIJ-maatregel opgelegd die sinds 2016 is verlengd. Na meerdere bijzondere voorwaarden en een verplichte klinische opname ter detoxificatie, die betrokkene niet heeft nageleefd, heeft de officier van justitie een vordering tot terugplaatsing ingediend.

Tijdens de zitting op 10 oktober 2023 werd betrokkene gehoord, evenals zijn raadsvrouw, een deskundige en de officier van justitie. Het adviesrapport van de reclassering concludeert dat betrokkene zich niet aan de voorwaarden houdt, zijn gedrag negatief is en het recidiverisico hoog blijft. Betrokkene werd na drie dagen uit de kliniek gezet vanwege zijn gedrag.

De rechtbank oordeelt dat terugplaatsing noodzakelijk is voor een periode van vijf maanden om verdere mogelijkheden voor begeleiding en beperking van het recidiverisico te onderzoeken. Na deze periode kan betrokkene zonder hulp uit detentie komen, wat niet in zijn belang of dat van de maatschappij is. De rechtbank wijst erop dat verdere terugplaatsingen wettelijk beperkt zijn en verzoekt de officier van justitie te onderzoeken of een vordering op grond van de Wet Forensische Zorg mogelijk is.

De rechtbank wijst de vordering deels toe, beveelt terugplaatsing in een penitentiaire inrichting en houdt verdere beslissingen aan tot een volgende zitting in januari 2024.

Uitkomst: De rechtbank wijst de vordering tot terugplaatsing deels toe en beveelt terugplaatsing voor vijf maanden in een penitentiaire inrichting.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Strafrecht
Zittingsplaats Zutphen
Parketnummer : 05-800098-14
beslissing op de bij de griffie van deze rechtbank ingekomen vordering van de officier van justitie van 14 september 2023
in de zaak tegen:

[betrokkene] (hierna: betrokkene)

geboren op [geboortedatum] 1996 te [geboorteplaats] ,
ingeschreven aan de [adres] ,
op dit moment gedetineerd in [verblijfplaats] .
Raadsvrouw: mr. B. Klunder, advocaat in Amsterdam.

1. De procedure

De meervoudige kamer van het gerechtshof Arnhem-Leeuwarden heeft bij verkort arrest van 8 maart 2016 aan betrokkene voorwaardelijk de maatregel van plaatsing in een inrichting voor jeugdigen (hierna: de PIJ-maatregel) opgelegd. Betrokkene is bij dit arrest veroordeeld voor een poging tot doodslag. De voorwaardelijke maatregel is ten uitvoer gelegd en ingegaan op 29 augustus 2016.
De maatregel is daarna steeds verlengd.
Bij beschikking van 6 september 2022 heeft de rechtbank bijzondere voorwaarden vastgesteld in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel van betrokkene.
Bij beschikking van 23 mei 2023 heeft de rechtbank betrokkene teruggeplaatst in een penitentiaire inrichting tot 30 mei 2023 en de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel verlengd met één jaar. Ook heeft de rechtbank bij die beschikking de bijzondere voorwaarden gewijzigd.
Bij beschikking van 5 september 2023 heeft de rechtbank nogmaals de bijzondere voorwaarden gewijzigd in die zin dat als bijzondere voorwaarde wordt opgenomen dat betrokkene zich klinisch laat opnemen ter detoxificatie in een daartoe door de reclassering aan te wijzen instelling waarbij hij zich houdt aan de huisregels van deze instelling. Een
dergelijke opname duurt maximaal 3 maanden.
De officier van justitie heeft op 14 september 2023 een schriftelijke vordering ingediend tot
terugplaatsing van betrokkene (artikel 77t Sr en artikel 6:6:32 Sv Pro) omdat betrokkene de bij beschikking van deze rechtbank van 5 september 2023 gestelde bijzondere voorwaarden niet heeft nageleefd.
De rechter-commissaris heeft op 15 september 2023 de vordering tot voorlopige tenuitvoerlegging toegewezen.
De vordering van de officier van justitie is ter zitting van 10 oktober 2023 achter gesloten deuren behandeld.
De rechtbank heeft kennis genomen van het adviesrapport van [instelling] van 12 september 2023.
Tijdens de zitting van 10 oktober 2023 zijn gehoord:
- betrokkene;
- zijn raadsvrouw;
- de deskundige [deskundige] ;
- de officier van justitie.

Het standpunt van de officier van justitie

De officier van justitie heeft de vordering toegelicht en gehandhaafd.

Het standpunt van betrokkene

Door en namens betrokkene is verzocht om de terugplaatsing te bevelen tot het moment dat betrokkene opnieuw geplaatst kan worden in de afkickkliniek. Daarnaast heeft de raadsvrouw de rechtbank verzocht om de officier van justitie opdracht te geven om de mogelijkheid van een zorgmachtiging te onderzoeken. Tegen een terugplaatsing tot het einde van de PIJ-maatregel heeft de raadsvrouw zich verzet.

Het advies van de reclassering

Uit het adviesrapport van [instelling] van 12 september 2023 komt, zakelijk weergegeven, het volgende naar voren.
Op 15 juli 2022 is de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ maatregel gestart. Gedurende de voorwaardelijke beëindiging hebben de negatieve ontwikkelingen van betrokkene zoals het uitschelden van medebewoners en behandelaren, veroorzaken van opstootjes en medebewoners lastig vallen voor geld, shag en cannabis doorgezet. Positieve factoren die betrokkene had opgebouwd in de voorbereiding naar de voorwaardelijke beëindiging, heeft hij niet vast kunnen houden. Betrokkene heeft vanuit zowel de woonvorm waar hij sinds de start van de voorwaardelijke beëindiging van zijn PIJ maatregel verbleef als van de reclassering meerdere kansen gekregen om zich te houden aan de voorwaarden, regels en afspraken. Vanuit zowel de woonvorm als de reclassering heeft betrokkene zowel mondelinge- als schriftelijke waarschuwingen ontvangen. Het lukte betrokkene niet om zelfstandig zijn gedrag en houding te verbeteren en te stoppen met blowen. Op 5 september 2023 heeft de zitting in het kader van het inzetten van de verplichte klinische opname ter detoxificatie plaatsgevonden en is door de rechtbank uitgesproken dat betrokkene hiermee een laatste kans kreeg om mee te werken aan de uitvoering van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ maatregel. Op 8 september 2023 is betrokkene opgenomen in de [kliniek 1] in het kader van de verplichte klinische opname ter detoxificatie voor de duur van drie maanden. Op 11 september 2023 is betrokkene uit de kliniek gezet in verband met zijn negatieve houding en gedrag. Hij is in drie dagen tijd meermaals aangesproken door het personeel en heeft waarschuwingen gehad die niet hebben geleid tot verandering in zijn gedrag.
Betrokkene heeft zich wederom niet gehouden aan de recent gestelde bijzondere voorwaarden, en de reclassering heeft geenszins invloed op zijn middelengebruik, houding en gedrag en hierdoor ook geen invloed op zijn psychische gesteldheid. De risico’s op (gewelddadige) recidive blijven daarom onverminderd hoog. Hierdoor rest de reclassering niets anders dan een terugplaatsing voor de resterende tijd te adviseren.

De toelichting van de deskundige tijdens de zitting

De deskundige heeft ter terechtzitting verklaard dat de kliniek mogelijk opnieuw een plek voor betrokkene heeft over drie tot zes maanden. Betrokkene kan op dit moment niet terug naar zijn oude woonplek bij [kliniek 2] . Zij zien een terugkerend patroon in de houding en gedrag van betrokkene wat een verder verblijf bij [kliniek 2] belemmert. [kliniek 2] wil dat betrokkene eerst een klinische opname afrondt. Na afloop van de PIJ-maatregel kan onderzocht worden of betrokkene met een (zorg)machtiging of al dan niet vrijwillig via de WLZ (Wet Langdurige Zorg) bij [kliniek 2] terecht kan.

De beoordeling door de rechtbank

Op grond van de overgelegde stukken en wat tijdens de zitting is besproken, concludeert de
rechtbank dat betrokkene zich onvoldoende heeft gehouden aan de voorwaarden die laatstelijk in de beschikking van 5 september 2023 aan hem zijn opgelegd in het kader van de voorwaardelijke beëindiging van de PIJ-maatregel. Betrokkene moest meewerken aan een klinische opname om af te kicken van het blowen maar werd na drie dagen vanwege zijn gedrag uit de kliniek gezet. Betrokkene kan niet terug naar zijn oude woonplek bij [kliniek 2] . De rechtbank ziet gelet op dit alles dan ook geen andere mogelijkheid dan betrokkene in ieder geval voor een periode terug te plaatsen in het kader van de PIJ-maatregel.
Indien betrokkene de resterende duur van de PIJ-maatregel geheel uitzit in detentie, zal hij in juli 2024 zonder enige vorm van begeleiding of hulpverlening uit detentie komen. Hij zal dan waarschijnlijk geen woonplek hebben en mogelijk nog verslaafd zijn aan cannabis. Dat vindt de rechtbank niet in zijn belang en ook, gelet op het nog altijd hoge recidiverisico, niet in het belang van de maatschappij. Gelet hierop zal de rechtbank het verzoek van de officier van justitie tot terugplaatsing deels toewijzen, te weten voor de duur van vijf maanden. Zo kan worden onderzocht of er nog andere mogelijkheden zijn om het recidiverisico van betrokkene in te perken voordat de voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel definitief eindigt. Iedere verdere beslissing op de vordering houdt de rechtbank tot een nader te plannen terechtzitting aan. Deze terugplaatsing zal de rechtbank gelasten ten uitvoer te leggen in een penitentiaire inrichting, gelet op de leeftijd van betrokkene (artikel 6:6:32 lid 3 onder Pro c Sv).
De rechtbank ziet in het huidige kader van de voorwaardelijk geëindigde PIJ geen juridische en praktische mogelijkheden meer om betrokkene na die vijf maanden opnieuw in een kliniek te plaatsen om af te kicken. Betrokkene is namelijk al meerdere keren, zowel vrijwillig als onvrijwillig, opgenomen geweest. Deze opnames zijn telkens mislukt. De rechtbank ziet niet waarom een nieuwe opname dit maal wel gaat lukken en gaat daarom niet mee in dit verzoek van betrokkene en zijn raadsvrouw. Bovendien speelt hier nog een juridische complicatie een rol. Betrokkene is wordt met deze beslissing voor de tweede maal teruggeplaatst. Artikel 6:6:32 lid 4 Sv Pro bepaalt dat dit het maximum is. De rechtbank loopt dan ook in het geval van betrokkene, los van de praktische bezwaren zoals hierboven weergeven, tegen het probleem aan dat aan het opnieuw formuleren van voorwaarden, geen nieuwe terugplaatsing bij overtreding van die voorwaarden kan worden verbonden.
Het opnieuw formuleren van voorwaarden wordt dan ook zinledig en er zou dan een ‘lege’ voorwaardelijk beëindigde PIJ-maatregel zonder voorwaarden overblijven. Dit probleem kan alleen door de wetgever worden opgelost door het maximum aantal terugplaatsingen uit voornoemd artikellid te schrappen.
De rechtbank is wel van oordeel dat betrokkene langdurig begeleiding en hulpverlening nodig blijft hebben. Zoals hierboven weergegeven vindt de rechtbank het dan ook zeer onwenselijk dat betrokkene na de terugplaatsing zonder enige vorm van (zo nodig gedwongen) hulp uit detentie komt. De beslissing tot terugplaatsing, zoals nu aan de orde, wordt niet genoemd in de - kennelijk limitatief bedoelde - opsomming van artikel 2.3 lid 1 van Wet Forensische Zorg (Wfz). De rechtbank kan dan niet ambtshalve een zorgmachtiging voor betrokkene afgeven en dus ook de officier van justitie niet opdragen om hiertoe de geëigende procedure in gang te zetten (vergelijk: Hoge Raad 9 april 2021, ECLI:NL:HR:2021:534). Omdat de rechtbank het wel belangrijk vindt om te onderzoeken of een gedwongen GGZ-kader na detentie noodzakelijk is voor betrokkene, acht de rechtbank het wenselijk dat de komende periode wordt onderzocht of betrokkene mogelijk valt onder het bereik van de Wfz. De rechtbank
verzoektdaarom de officier van justitie uitdrukkelijk om de mogelijkheid te onderzoeken om bij gelegenheid van de volgende zitting een vordering Wfz in te dienen (artikel 2.3. lid 1 onder 6 Wfz) gedurende de periode dat betrokkene teruggeplaatst is zodat betrokkene mogelijk na terugplaatsing onder de Wfz behandeling en hulpverlening kan krijgen.

Beslissing

De rechtbank:
wijstde vordering
deels toe, in die zin dat betrokkene voor de duur van vijf maanden wordt teruggeplaatst in een penitentiaire inrichting;
houdtiedere verdere beslissing over de vordering
aantot een
nader te plannen zitting in januari 2024;
verzoektde officier van justitie de mogelijkheid te onderzoeken om een vordering op de voet van de Wfz in te dienen ten behoeve van betrokkene;
beveelt de oproeping van betrokkene en zijn raadsvrouw voor de nader te bepalen zitting.
Deze beschikking is gegeven door mr. E.J. Davids, voorzitter, tevens (kinder)rechter, mr. M. Rietveld en mr. C.L. Pas, als (kinder)rechters in tegenwoordigheid van mr. E. Duis - van Grol, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 24 oktober 2023.