Uitspraak
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
1.De procedure
- het verkorte proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 16 november 2022 en de daarin genoemde processtukken.
Rechtbank Gelderland
In deze zaak staat centraal of de aannemer recht heeft op betaling van een eerste termijn van €59.000,- en/of een annuleringsvergoeding van 10% van de aanneemsom na annulering door de opdrachtgever. Partijen sloten een overeenkomst voor de bouw van een woonhuis, waarbij betaling in termijnen zou plaatsvinden conform een nog overeen te komen termijnstaat. De aannemer stuurde een voorstel voor de termijnstaat en factureerde een voorschot van 10%, maar de opdrachtgever ging niet akkoord met dit voorstel en stelde een eigen termijnstaat voor met een aanbetaling van 5% onder voorwaarde van een nieuwe overeenkomst of addendum, welke niet werd gesloten.
De rechtbank oordeelt dat geen overeenstemming over de termijnstaat is bereikt, zodat geen betalingsverplichting voor de opdrachtgever bestond. Daarnaast is niet gebleken dat de aannemer kosten heeft gemaakt die onder het annuleringsbeding voor vergoeding in aanmerking komen. De aannemer heeft ook onvoldoende schade onderbouwd, waardoor ook een schadevergoeding niet toewijsbaar is. De vorderingen worden daarom afgewezen en de aannemer wordt veroordeeld in de proceskosten.
De rechtbank gaat niet in op overige verweren van de opdrachtgever omdat de vorderingen reeds onvoldoende zijn onderbouwd. De proceskosten worden vastgesteld op €3.529,- plus nakosten en wettelijke rente. Het vonnis is gewezen door mr. I.W.M. Olthof en op 11 januari 2023 in het openbaar uitgesproken.
Uitkomst: De rechtbank wijst de vorderingen van de aannemer af wegens ontbreken overeenstemming over de termijnstaat en onvoldoende onderbouwing van kosten en schade.