ECLI:NL:RBGEL:2023:6100

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
1 november 2023
Publicatiedatum
7 november 2023
Zaaknummer
C/05/424155 / HZ ZA 23-260
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing incidentele vordering tot splitsing van het geding in civiele zaak over commissies tandartsenpraktijken

In deze civiele procedure vorderen vier tandartspraktijken de splitsing van het geding tegen een opleidingsorganisatie voor Servische tandartsen. De tandartspraktijken zijn aan elkaar gelieerd en worden aangesproken voor het niet betalen van commissies aan de opleidingsorganisatie.

De tandartspraktijken stellen dat de grondslagen en het feitencomplex van de vorderingen wezenlijk verschillen en verzoeken om afzonderlijke behandeling. De opleidingsorganisatie betwist dit en wijst op het onderlinge verband en het feit dat alle vorderingen betrekking hebben op dezelfde schade.

De rechtbank oordeelt dat de vorderingen voortvloeien uit hetzelfde feitencomplex en met elkaar samenhangen, waardoor een gezamenlijke behandeling doelmatig is. De incidentele vordering tot splitsing wordt afgewezen en de zaak wordt aangehouden voor het nemen van een conclusie van antwoord. De kosten van het incident worden aan de tandartspraktijken opgelegd.

Uitkomst: De rechtbank wijst de incidentele vordering tot splitsing af en veroordeelt de verzoekende partijen in de proceskosten.

Uitspraak

vonnis

RECHTBANK GELDERLAND

Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Zutphen
zaaknummer / rolnummer: C/05/424155 / HZ ZA 23-260
Vonnis in incident van 1 november 2023
in de zaak van
de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[eis.hfdz./verw.inc.],
gevestigd te [plaats 2] ,
eiseres in de hoofdzaak,
verweerster in het incident,
advocaat mr. R.J. Versteeg te 's-Hertogenbosch,
tegen
1. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.hfdz./eis.inc. 1],
gevestigd te [plaats 1] ,
2. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.hfdz./eis.inc. 2] .,
gevestigd te [plaats 1] ,
3. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.hfdz./eis.inc. 3],
gevestigd te [plaats 1] ,
4. de besloten vennootschap met beperkte aansprakelijkheid
[ged.hfdz./eis.inc. 4],
gevestigd te [plaats 1] ,
gedaagden in de hoofdzaak,
eiseressen in het incident,
advocaat mr. K. Horstman te Epe.
Partijen zullen hierna [eis.hfdz./verw.inc.] en [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] genoemd worden.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
  • de dagvaarding
  • de incidentele conclusie houdende tot splitsing
  • de conclusie van antwoord in het incident houdende tot splitsing.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.Het geschil en de beoordeling in het incident

2.1.
[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] vordert in het incident:
de hoofdzaak aan te houden gedurende de behandeling van het incident,
de zaak tegen [ged.hfdz./eis.inc. 1] en de zaken tegen [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] te splitsen, waarbij de zaken ieder een eigen zaak-/rolnummer krijgen en voor het vervolg als afzonderlijke zaken zullen worden behandeld, te beginnen met een conclusie van antwoord namens de gedaagde partijen,
een gewoon uitstel van zes (6) weken te verlenen voor het dienen van antwoord in de (gesplitste) hoofdzaak, na het wijzen van vonnis in dit incident,
[eis.hfdz./verw.inc.] te veroordelen in de proceskosten van het incident.
2.2.
[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] legt aan haar incidentele vordering tot splitsing het volgende ten grondslag. Hoewel gedaagde partijen aan elkaar zijn gelieerd, is van belang dat de grondslag van de gestelde vorderingen (tegen gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagde sub 2, 3 en 4 anderzijds) wezenlijk verschillen. Ook het feitencomplex is verschillend. Daarom kan niet worden gezegd dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Een goede procesorde – met name bezien vanuit overzichtelijkheid – eist een afzonderlijke berechting.
2.3.
[eis.hfdz./verw.inc.] betwist dat een gezamenlijke behandeling niet gerechtvaardigd is. Zij voert ter onderbouwing hiervan aan dat aan alle tegen gedaagden ingestelde vorderingen hetzelfde feitencomplex ten grondslag is gelegd. Ook worden alle gedaagden voor dezelfde schade aangesproken. Verder hebben alle gedaagde partijen een onderlinge relatie met elkaar, omdat zij groepsvennootschappen van dezelfde groep zijn.
2.4.
De rechtbank kan een aanhangig gemaakt geding splitsen indien tussen de vorderingen geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling wettigen (HR 27 oktober 1978, ECLI:NL:HR:1978:AC6384).
2.5.
Uit de dagvaarding volgt dat [eis.hfdz./verw.inc.] aan haar vorderingen in de hoofdzaak – samengevat en voor zover in dit incident relevant – de volgende feiten ten grondslag legt. [ged.hfdz./eis.inc. 1] (de heer [betrokkene 1] ) en [betrokken bedrijf 1] (de heer [betrokkene 2] ) hebben samen [eis.hfdz./verw.inc.] opgericht. [eis.hfdz./verw.inc.] is een opleidingsorganisatie voor (voornamelijk) Servische tandartsen die willen werken op de Nederlandse zorgmarkt. Als onderdeel van deze opleiding moesten de op te leiden tandartsen als tandheelkundig medewerker in dienst treden bij een tandartsenpraktijk, waarvoor de betreffende tandartspraktijk commissie diende te betalen aan [eis.hfdz./verw.inc.] . Vijf van de eerste zeven kandidaten zijn als tandheelkundig medewerker in dienst getreden bij [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] [ged.hfdz./eis.inc. 1] is bestuurder van deze drie tandartspraktijken. [ged.hfdz./eis.inc. 2] ., [ged.hfdz./eis.inc. 3] en [ged.hfdz./eis.inc. 4] hebben geen commissie betaald, aldus [eis.hfdz./verw.inc.] . [eis.hfdz./verw.inc.] stelt dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] moedwillig de situatie heeft gecreëerd waarin de door [eis.hfdz./verw.inc.] geworven en opgeleide tandartsen door de door [ged.hfdz./eis.inc. 1] gedreven tandartspraktijken worden gebruikt, zonder hiervoor commissie te betalen. [eis.hfdz./verw.inc.] stelt dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] aansprakelijk is voor de schade die zij als gevolg hiervan heeft geleden.
2.6.
De rechtbank is van oordeel dat [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] onvoldoende feiten en omstandigheden heeft gesteld voor het oordeel dat tussen de vorderingen jegens gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagden sub 2, 3 en 4 anderzijds geen zodanige samenhang bestaat, dat redenen van doelmatigheid een gezamenlijke behandeling rechtvaardigen. Hoewel bij de beoordeling van de vorderingen jegens gedaagde sub 1 enerzijds en gedaagden sub 2, 3 en 4 anderzijds (ook) verschillende grondslagen worden betrokken, vloeien zij voort uit hetzelfde feitencomplex en hangen de vorderingen met elkaar samen. De vorderingen hebben immers betrekking op dezelfde schade. Verder heeft [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] erkend dat gedaagde partijen aan elkaar gelieerd zijn. Zonder nadere onderbouwing kan, gelet op het voorgaande, niet worden ingezien waarom afzonderlijke behandeling proceseconomisch gunstig is voor een voortvarende en doelmatige afhandeling van de zaak en dat daarom moet worden afgeweken van de door [eis.hfdz./verw.inc.] als eiseres gekozen wijze van procesvoering. De incidentele vorderingen zullen daarom worden afgewezen.
2.7.
Aangezien de behandeling van de hoofdzaak is aangehouden gedurende de behandeling van dit incident, heeft [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] geen belang meer bij de vordering tot aanhouding van de hoofdzaak, zodat ook die vordering zal worden afgewezen.
2.8.
[gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] zal als de in het ongelijk gestelde partij in de proceskosten van het incident worden veroordeeld, aan de zijde van [eis.hfdz./verw.inc.] tot op heden vastgesteld op € 598,00 (1,00 punt x € 598,00).

3.De beoordeling in de hoofdzaak

3.1.
De rechtbank zal de zaak naar de rol verwijzen voor het nemen van een conclusie van antwoord door [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4]
3.2.
Iedere verdere beslissing zal worden aangehouden.

4.De beslissing

De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eis.hfdz./verw.inc.] tot op heden vastgesteld op € 598,00,
in de hoofdzaak
4.3.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van
13 december 2023voor conclusie van antwoord door [gedn.hfdz./eis.inc. 1 tm 4] ,
4.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 1 november 2023.