In deze civiele procedure vorderen vier tandartspraktijken de splitsing van het geding tegen een opleidingsorganisatie voor Servische tandartsen. De tandartspraktijken zijn aan elkaar gelieerd en worden aangesproken voor het niet betalen van commissies aan de opleidingsorganisatie.
De tandartspraktijken stellen dat de grondslagen en het feitencomplex van de vorderingen wezenlijk verschillen en verzoeken om afzonderlijke behandeling. De opleidingsorganisatie betwist dit en wijst op het onderlinge verband en het feit dat alle vorderingen betrekking hebben op dezelfde schade.
De rechtbank oordeelt dat de vorderingen voortvloeien uit hetzelfde feitencomplex en met elkaar samenhangen, waardoor een gezamenlijke behandeling doelmatig is. De incidentele vordering tot splitsing wordt afgewezen en de zaak wordt aangehouden voor het nemen van een conclusie van antwoord. De kosten van het incident worden aan de tandartspraktijken opgelegd.