ECLI:NL:RBGEL:2023:637

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 februari 2023
Publicatiedatum
9 februari 2023
Zaaknummer
05/185766-20
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Strafrecht
Uitkomst
Veroordeling
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 9 SrArt. 14a SrArt. 14b SrArt. 14c SrArt. 22c Sr
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Werkstraf en voorwaardelijke gevangenisstraf voor medeplegen gewoontewitwassen van grote geldbedragen

Verdachte heeft gedurende bijna anderhalf jaar grote geldbedragen via zijn bankrekeningen ontvangen en contant opgenomen voor een opdrachtgever, waarbij hij bewust de aanmerkelijke kans aanvaardde dat het geld afkomstig was uit misdrijven. De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig maakte aan medeplegen van witwassen en gewoontewitwassen van bedragen die in totaal bijna één miljoen euro bedragen.

De verdediging voerde aan dat niet bewezen kon worden dat het geld crimineel was, maar de rechtbank concludeerde dat de verklaringen van verdachte over een legale herkomst niet konden worden bevestigd en dat verdachte bewust naliet de herkomst te onderzoeken. Verdachte ontving per transactie een vergoeding en zette vrienden aan om ook rekeningen ter beschikking te stellen.

De rechtbank hield rekening met de ernst van het feit, de omvang van het witwassen en de maatschappelijke schade, maar ook met het feit dat het om oude feiten gaat en dat verdachte een positieve ontwikkeling heeft doorgemaakt. Daarom werd een werkstraf van 240 uur gecombineerd met een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd, met bijzondere voorwaarden waaronder reclasseringstoezicht.

Daarnaast werd een geldbedrag van €9.500,- verbeurd verklaard en een kleiner bedrag teruggegeven aan verdachte. De strafdoelen van preventie en vergelding werden zorgvuldig afgewogen tegen de persoonlijke omstandigheden van verdachte.

Uitkomst: Verdachte is veroordeeld tot 240 uur werkstraf en 12 maanden voorwaardelijke gevangenisstraf wegens medeplegen van gewoontewitwassen.

Uitspraak

RECHTBANK GELDERLAND
Team strafrecht
Zittingsplaats Arnhem
Parketnummer: 05-185766-20
Datum uitspraak : 10 februari 2023
Tegenspraak
verkort vonnis van de meervoudige kamer
in de zaak van
de officier van justitie
tegen
[verdachte],
geboren op [geboortedatume] 1998 in [geboorteplaats] ,
wonende aan [adres] in [plaats] .
Raadsman: mr. D. Nieuwenhuis, advocaat in Arnhem.
Dit vonnis is gewezen naar aanleiding van het onderzoek op de openbare terechtzitting van
27 januari 2023.

1.De inhoud van de tenlastelegging

Aan verdachte is ten laste gelegd dat:
1.
hij op of omstreeks 4 augustus 2018 te Andelst en/of Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) 9.720,05 euro, althans enig geldbedrag,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 1 niet tot een veroordeling leidt:
hij op of omstreeks 4 augustus 2018 te Andelst en/of Arnhem, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal) 9.720,05 euro, althans enig geldbedrag,
heeft verworven en/of voorhanden heeft gehad,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat dat voorwerp onmiddellijk afkomstig was uit enig eigen misdrijf;
2.
hij in of omstreeks de periode van 14 augustus 2017 tot en met 17 januari 2019 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen,
voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 132.034,88 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] op naam van [rekeninghouder 1] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 88.463,01 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] op naam van [rekeninghouder 1] ,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet,
terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3.
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 augustus 2019 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 175.759,27 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] ten name van [rekeninghouder 2] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 135.232,44 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 4] ten name van [rekeninghouder 2] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 31.000,00 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 5] ten name van [rekeninghouder 3] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 75.251,56 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 6] ten name van [rekeninghouder 4] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 80.190,00 euro, althans enig geldbedrag op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 7] ten name van [rekeninghouder 5] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 217.732,10 euro, althans enig geldbedrag op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 8] ten name van [rekeninghouder 6] en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 21.462.85 euro, althans enig geldbedrag, op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 9] ten name van [rekeninghouder 7] ,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moest(en) vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij/zij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt;
subsidiair althans, indien het vorenstaande onder 3 niet tot een veroordeling leidt:
hij in of omstreeks de periode van 1 januari 2018 tot en met 1 augustus 2019 te Arnhem, althans in Nederland, tezamen en in vereniging met anderen, althans alleen, van voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 478.020 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de contante opnames en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 112.406,97 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de
intercompany overboekingen en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 29.300 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de overboekingen naar derden en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 124.649,48 euro, althans enig geldbedrag, zijn de overige overboekingen,
de herkomst heeft verborgen en/of verhuld en/of heeft verborgen en/of verhuld wie deze voorwerpen, te weten voornoemde geldbedragen voorhanden heeft gehad,
en/of
voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 478.020 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de contante opnames en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 112.406,97 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de intercompany overboekingen en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 29.300 euro, althans enig geldbedrag, zijnde de overboekingen naar derden en/of
- een geldbedrag van (in totaal) 124.649,48, althans enig geldbedrag, zijn de overige overboekingen,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen en/of omgezet, terwijl hij en/of zijn mededader(s) wist(en), althans redelijkerwijs moesten vermoeden dat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en hij/zij van het plegen van witwassen een gewoonte heeft/hebben gemaakt.

2.Overwegingen ten aanzien van het bewijs

Ten aanzien van feit 1
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van een geldbedrag van € 9.500,00 op en/of omstreeks 4 augustus 2018. Zij baseert dat oordeel op de processen-verbaal van bevindingen met betrekking tot het aantreffen van de tas met daarin een bundel van negentien biljetten van 50 euro en de verklaringen van verdachte, zoals afgelegd op 24 juni 2022 en ter terechtzitting. Ter terechtzitting heeft de verdachte verklaard dat hij het bedrag kort voor 4 augustus 2018 had gepind op verzoek van ‘ [opdrachtgever] ’. Anders dan de raadsman heeft bepleit, is zodoende ook sprake van het tezamen en in vereniging verwerven en voorhanden hebben van het geldbedrag.
Naar het oordeel van de rechtbank staat met betrekking tot het geldbedrag van € 220,05 onvoldoende vast dat dit bedrag van witwassen afkomstig was. Dit geldbedrag had verdachte namelijk los van de bundel met biljetten van 50 euro bij zich en het bedrag is niet dermate hoog dat dit wel van enig misdrijf afkomstig moet zijn. Daarbij betrekt de rechtbank dat verdachte als kapper een legale inkomstenbron had die het voorhanden hebben van dit bedrag zou kunnen verklaren.
Ten aanzien van feit 2
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van witwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Zij baseert dat oordeel op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de bankrekeningen van verdachte en de verklaringen van verdachte, zoals afgelegd op 24 juni 2022 en ter terechtzitting.
Ten aanzien van feit 3
De rechtbank acht bewezen dat verdachte zich schuldig heeft gemaakt aan het medeplegen van gewoontewitwassen van de in de tenlastelegging genoemde geldbedragen. Zij baseert dat oordeel op het proces-verbaal van bevindingen met betrekking tot de gevorderde bankrekeningen en de verklaringen van verdachte, zoals afgelegd op 24 juni 2022 en ter terechtzitting.
Algemene overwegingen aanzien van alle feiten: wetenschap
De verdediging heeft zich op het standpunt gesteld dat niet bewezen kan worden dat de geldbedragen van enig misdrijf afkomstig zijn en - voor zover dit wel het geval zou zijn - verdachte dit niet wist.
De rechtbank overweegt dat op grond van de beschikbare bewijsmiddelen geen rechtstreeks verband kan worden gelegd tussen de geldbedragen en een bepaald misdrijf. Naar het oordeel van de rechtbank kan het echter niet anders zijn dan dat de in de tenlastelegging genoemde bedragen afkomstig zijn uit enig misdrijf. Hiertoe overweegt de rechtbank als volgt.
Verdachte heeft (zijn) bankrekeningen ter beschikking gesteld, waarop grote bedragen werden gestort, die verdachte contant heeft opgenomen voor zijn opdrachtgever ‘ [opdrachtgever] ’. Per transactie kreeg hij hiervoor een vergoeding van € 500,00 tot € 750,00. Een deel van de bankrekeningen waarop de bedragen werden gestort, werden enkel en alleen opgericht met als doel deze bedragen te kunnen ontvangen om ze vervolgens contant op te nemen.
Op grond van voornoemde feiten en omstandigheden is sprake van een vermoeden van witwassen. In dat geval mag van de verdachte worden verlangd dat hij een verklaring geeft voor de herkomst van de voorwerpen (geldbedragen). Een dergelijke verklaring dient concreet, min of meer verifieerbaar en niet op voorhand hoogst onwaarschijnlijk te zijn. Toen verdachte op 24 juni 2022 verklaarde dat de bedragen afkomstig zouden zijn van de import en export van auto’s naar Afrika en van de verkoop van goederen die per container naar Afrika werden vervoerd, had de politie al onderzoek gedaan naar de mogelijke (legale) herkomst van de geldbedragen. Uit de resultaten van dit onderzoek is op geen enkele wijze gebleken van een verband tussen de geldbedragen en deze handel, zodat met voldoende mate van zekerheid kan worden uitgesloten dat de geldbedragen een legale herkomst hadden. Dat betekent dat een criminele herkomst als enige aanvaardbare verklaring kan gelden.
Naar het oordeel van de rechtbank kan worden vastgesteld dat verdachte ook wist dat deze bedragen van enig misdrijf afkomstig waren. Hierover overweegt de rechtbank als volgt.
De vragen die verdachte over de herkomst van het geld aan “ [opdrachtgever] ” stelde bleven telkens onbeantwoord. Uit de verklaring van verdachte, zoals afgelegd op 24 juni 2022, volgt dat hij wel een onderbuikgevoel had dat het niet klopte, maar hij daar niet naar luisterde, omdat het voor hem makkelijk geld verdienen was. Verdachte heeft nagelaten te onderzoeken waar de grote geldbedragen vandaan kwamen. Daarnaast is hij, toen er fraudemeldingen kwamen vanuit de bank en rekeningen als gevolg hiervan meermaals werden geblokkeerd, doorgegaan met het ter beschikking stellen van zijn bankrekeningen en heeft hij zelfs vrienden benaderd om bankrekeningen te openen en ter beschikking te stellen. Naar het oordeel van de rechtbank was onder deze omstandigheden sprake van een aanmerkelijke kans dat deze geldbedragen van enig misdrijf afkomstig waren en heeft verdachte die kans ook voor lief genomen. Het makkelijk geld verdienen woog voor hem zwaarder dan de herkomst van het geld.
De beslissing dat verdachte het bewezenverklaarde heeft begaan, is gegrond op de feiten en omstandigheden die in de bewijsmiddelen zijn vervat. De bewijsmiddelen zullen worden uitgewerkt in die gevallen waarin de wet aanvulling van het vonnis vereist en zullen dan in een aan dit vonnis te hechten bijlage worden opgenomen.

3.De bewezenverklaring

Naar het oordeel van de rechtbank is wettig en overtuigend bewezen dat verdachte de onder feit 1, primair, feit 2 en feit 3, primair tenlastegelegde feiten heeft begaan, te weten dat:
1.
hij op of omstreeks 4 augustus 2018 te Andelst en/of Arnhem
, althans in Nederland,
tezamen en in vereniging met anderen,
althans alleen,
een voorwerp, te weten een geldbedrag van (in totaal)
9.720,059.500,00euro,
althans enig geldbedrag,heeft verworven en
/ofvoorhanden heeft gehad,
terwijl hij en
/ofzijn mededader
(s)wist
(en
),
althans redelijkerwijs moest(en) vermoedendat dat voorwerp geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig was uit enig misdrijf;
2.
hij in
of omstreeksde periode van
14 augustus 201726 februari 2018tot en met 17 januari 2019 te Arnhem,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met anderen,
althans alleen,
voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 132.034,88 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 1] op naam van [rekeninghouder 1] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 88.463,01 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 2] op naam van [rekeninghouder 1] ,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen
en/of omgezet,
terwijl hij en
/ofzijn mededader
(s)wist
(en
), althans redelijkerwijs moest(en) vermoedendat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf;
3.
hij in
of omstreeksde periode van 1 januari 2018 tot en met 1 augustus 2019 te Arnhem,
althans in Nederland,tezamen en in vereniging met anderen,
althans alleen,voorwerpen, te weten
- een geldbedrag van (in totaal) 175.759,27 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 3] ten name van [rekeninghouder 2] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 135.232,44 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 4] ten name van [rekeninghouder 2] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 31.000,00 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 5] ten name van [rekeninghouder 3] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 75.251,56 euro, althans enig geldbedrag, op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 6] ten name van [rekeninghouder 4] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 80.190,00 euro, althans enig geldbedrag op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 7] ten name van [rekeninghouder 5] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 217.732,10 euro, althans enig geldbedrag op
bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 8] ten name van [rekeninghouder 6] en
/of
- een geldbedrag van (in totaal) 21.462.85 euro, althans enig geldbedrag, op bankrekeningnummer [bankrekeningnummer 9] ten name van [rekeninghouder 7] ,
heeft verworven, voorhanden gehad, overgedragen
en/of omgezet, terwijl hij en
/ofzijn mededader
(s
)wist
(en
),
althans redelijkerwijs moest(en) vermoedendat die voorwerpen geheel of gedeeltelijk - onmiddellijk of middellijk - afkomstig waren uit enig misdrijf, en
hij/zij van het plegen van witwassen een gewoonte
heeft/hebben gemaakt.
Voor zover er in de tenlastelegging kennelijke taal- en/of schrijffouten voorkomen, zijn die fouten verbeterd. Verdachte is daardoor niet in de verdediging geschaad.
Wat meer of anders is ten laste gelegd dan hiervoor bewezen is verklaard, is niet bewezen.
Verdachte zal daarvan worden vrijgesproken.

4.De kwalificatie van het bewezenverklaarde

Het bewezenverklaarde levert op:
feit 1, primair:
medeplegen van witwassen;
feit 2:
medeplegen van witwassen;
feit 3, primair:
medeplegen van gewoontewitwassen.

5.De strafbaarheid van de feiten

De feiten zijn strafbaar.

6.De strafbaarheid van de verdachte

Verdachte is strafbaar, nu geen omstandigheid is gebleken of aannemelijk is geworden die de strafbaarheid van verdachte uitsluit.

7.De overwegingen ten aanzien van straf en/of maatregel

Het standpunt van de officier van justitie
De officier van justitie heeft gevorderd dat verdachte zal worden veroordeeld tot een gevangenisstraf voor de duur van 36 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk met een proeftijd van 3 jaren.
Het standpunt van de verdediging
De raadsman heeft bepleit dat aan verdachte geen onvoorwaardelijke gevangenisstraf wordt opgelegd, maar in plaats daarvan een taakstraf die (mogelijk) de duur van 240 uren overschrijdt, in combinatie met een voorwaardelijke gevangenisstraf.
De beoordeling door de rechtbank
De rechtbank heeft bij de bepaling van de op te leggen straf rekening gehouden met de aard en de ernst van hetgeen bewezen is verklaard en de omstandigheden waaronder dit is begaan. De rechtbank heeft verder rekening gehouden met de persoon en de omstandigheden van verdachte.
Verdachte heeft zich gedurende een periode van bijna anderhalf jaar (samen met anderen) schuldig gemaakt aan (gewoonte)witwassen. In totaal heeft hij in die periode een bedrag van bijna één miljoen euro verworven, voorhanden gehad en overgedragen terwijl hij wist dat dit geld geen legale herkomst had. Verdachte heeft zijn bankrekeningen ter beschikking gesteld aan zijn opdrachtgever ‘ [opdrachtgever] ’ voor het ontvangen van grote geldbedragen. Daarnaast heeft hij vrienden benaderd om bankrekeningen te openen en deze vervolgens voor hetzelfde doel ter beschikking te stellen. Verdachte had het beheer over deze rekeningen en beschikte over de bankpassen. Verdachte heeft de geldbedragen die werden ontvangen telkens contant opgenomen en aan ‘ [opdrachtgever] ’ overhandigd. Per transactie ontving verdachte een geldbedrag als vergoeding. Het faciliteren van het witwassen van de geldbedragen vormde voor verdachte een verdienmodel, waardoor hij er een luxueuze levensstijl op nahield.
Door crimineel geld in het legale betalingsverkeer te brengen, werkte verdachte mee aan verhulling van criminele activiteiten en inkomsten daaruit. In het algemeen kan worden gesteld dat hierdoor crimineel gedrag in de hand wordt gewerkt, omdat daarmee de indruk kan worden gewekt dat het illegaal verwerven van inkomsten loont. Ook wordt hierdoor de Staat, en daarmee dus ook de samenleving, benadeeld, omdat over die (criminele) inkomsten geen belasting wordt betaald. Verder vormt witwassen een ernstige bedreiging van de legale economie en tast het de integriteit van het financiële en economische verkeer aan.
Naar het oordeel van de rechtbank rechtvaardigen deze feiten in beginsel een onvoorwaardelijke gevangenisstraf.
De rechtbank houdt er echter ook rekening mee dat het gaat om oude feiten en artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht van toepassing is. Uit het uittreksel uit de justitiële documentatie van verdachte volgt dat hij op 8 april 2022 door de rechtbank Midden-Nederland wegens een soortgelijk feit is veroordeeld tot een gevangenisstraf van 24 maanden, waarvan 12 maanden voorwaardelijk. Wanneer de onderhavige feiten gelijktijdig waren berecht, was dit mogelijk in het voordeel van verdachte geweest. De rechtbank houdt hier bij de straftoemeting rekening mee.
Daarnaast weegt de rechtbank mee dat verdachte de afgelopen jaren zijn leven een totaal andere wending heeft gegeven. Hij heeft - mede door de hulp van zijn reclasseringswerker - een positieve ontwikkeling doorgemaakt en heeft zijn leven weer op orde weten te krijgen. Hij lijkt te hebben geleerd van zijn tijd in detentie en door openheid van zaken te geven heeft hij verantwoordelijkheid genomen voor zijn daden.
Gezien het tijdsverloop en de positieve ontwikkeling die verdachte heeft doorgemaakt, staan de strafdoelen van generale en speciale preventie minder op de voorgrond. Een onvoorwaardelijke gevangenisstraf zou de positieve ontwikkeling van verdachte doorkruisen. Het opleggen daarvan zou daarom vooral gericht zijn op vergelding.
Gelet op het wat hiervoor is overwogen acht de rechtbank een onvoorwaardelijke gevangenisstraf niet langer op zijn plaats. Een taakstraf is naar het oordeel van de rechtbank een passende strafmodaliteit. Gelet op de ernst van het feit en de omstandigheden waaronder deze zijn gepleegd, acht de rechtbank de maximale taakstraf van 240 uren en een geheel voorwaardelijke gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden met een proeftijd van 2 jaren, passend en geboden. De rechtbank overweegt in dit kader dat artikel 63 van Pro het Wetboek van Strafrecht een langere voorwaardelijke gevangenisstraf in de weg staat, nu de verdachte op 8 april 2022 al een voorwaardelijke gevangenisstraf van 12 maanden opgelegd heeft gekregen.
Aan de voorwaardelijke gevangenisstraf zal de rechtbank de bijzondere voorwaarde verbinden dat verdachte zich dient te melden bij de reclassering. Daarbij overweegt de rechtbank dat is gebleken dat verdachte in het kader van een eerder toezicht veel steun heeft gehad aan zijn reclasseringswerker, met wie hij nog contact onderhoudt, en dat het hem steun zou bieden als juist zij hem opnieuw zou kunnen begeleiden. Hij zou dit, zo bleek ter zitting, ook een wenselijke situatie vinden.

8.De beoordeling van het beslag

De rechtbank zal het geldbedrag van € 9.500,00 met betrekking tot welke feit 1 is begaan verbeurd verklaren. De rechtbank heeft hierbij rekening gehouden met de draagkracht van verdachte.
De rechtbank zal de teruggave van het geldbedrag van € 220,05 aan verdachte gelasten, omdat geen strafvorderlijk belang zich daartegen verzet.

9.De toegepaste wettelijke bepalingen

De oplegging van de straf is gegrond op de artikelen 9, 14a, 14b, 14c, 22c, 22d, 33, 33a, 47, 57, 63, 420bis en 420ter van het Wetboek van Strafrecht.

10.De beslissing

De rechtbank:
 verklaart bewezen dat verdachte de ten laste gelegde feiten, zoals vermeld onder ‘De bewezenverklaring’, heeft begaan;
 verklaart niet bewezen hetgeen verdachte meer of anders is ten laste gelegd dan hierboven bewezen is verklaard en spreekt verdachte daarvan vrij;
 verstaat dat het aldus bewezenverklaarde oplevert de strafbare feiten zoals vermeld onder ‘De kwalificatie van het bewezenverklaarde’;
 verklaart verdachte hiervoor strafbaar;
 veroordeelt verdachte tot een gevangenisstraf voor de duur van 12 maanden;
 bepaalt dat deze gevangenisstraf niet ten uitvoer zal worden gelegd, tenzij de rechter later anders mocht gelasten, omdat verdachte zich voor het einde van de proeftijd van twee jaren niet heeft gehouden aan de volgende voorwaarden:
• stelt als algemene voorwaarde dat verdachte zich niet schuldig maakt aan een strafbaar feit;
• stelt als bijzondere voorwaarde dat:
- verdachte zich uiterlijk
binnen 5 dagen na het onherroepelijk worden van dit vonniszal melden bij Reclassering Nederland, Nieuwe Oeverstraat 65, 6811 JB Arnhem (telefoonnummer 088-8041401) en zich gedurende de proeftijd zal blijven melden bij deze instelling, zo vaak en zolang de instelling dat noodzakelijk acht;
• stelt als overige voorwaarden dat:
- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het ten behoeve van het vaststellen van zijn identiteit afnemen van een of meer vingerafdrukken of een identiteitsbewijs als bedoeld in artikel 1 van Pro de Wet op de identificatieplicht ter inzage zal aanbieden;
- verdachte zijn medewerking zal verlenen aan het reclasseringstoezicht als bedoeld in artikel 14c van het Wetboek van Strafrecht. De medewerking aan huisbezoeken en het zich melden bij de reclasseringsinstelling zo vaak en zolang de reclassering dit noodzakelijk acht zijn daaronder begrepen;
• geeft opdracht aan de reclassering tot het houden van toezicht op de naleving van deze bijzondere voorwaarde tot begeleiding van verdachte ten behoeve daarvan;
 legt op een taakstraf van 240 uren, met bevel dat indien deze straf niet naar behoren wordt verricht vervangende hechtenis zal worden toegepast voor de duur van 120 dagen;
 verklaart verbeurd het geldbedrag van € 9.500,00;
 gelast de teruggave van het geldbedrag van € 220,05 aan verdachte.
Dit verkort vonnis is gewezen door mr. R.D. Leen (voorzitter), mr. M.E. Snijders en mr. J.M. Breimer, rechters, in tegenwoordigheid van mr. A.I. Warringa, griffier, en uitgesproken ter openbare terechtzitting van deze rechtbank op 10 februari 2023.