Op 14 januari 2023 overleed de heer erflater, die een nalatenschap naliet waarover een geschil ontstond tussen eisende partij, benoemd tot executeur en afwikkelingsbewindvoerder, en gedaagde partij, een zoon van erflater. Gedaagde partij legde op 24 januari 2023 conservatoir beslag op de woning uit de nalatenschap, gevolgd door een tweede beslag op 26 oktober 2023.
Eisende partij verzocht de voorzieningenrechter in kort geding om opheffing van beide beslagen, omdat zij bereid was een bedrag van € 387.213,31 te voldoen maar door de beslagen niet in staat was de woning te verkopen of een hypotheek te verkrijgen. Gedaagde partij stelde dat er geen spoedeisend belang was en dat de bodemprocedure op korte termijn zou plaatsvinden, waarin het beslag ook aan de orde komt.
De voorzieningenrechter oordeelde dat eisende partij onvoldoende zekerheid kon bieden en dat het beslag vooral diende om de vordering te waarborgen. De belangenafweging gaf geen aanleiding tot opheffing, mede omdat de bodemprocedure reeds gepland stond. Ook het tweede beslag werd afgewezen omdat eisende partij geen belang had bij opheffing zolang het eerste beslag bleef rusten. De vorderingen werden afgewezen en eisende partij werd veroordeeld in de proceskosten.