Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
2.De kern van het geschil
3.De feiten
“Verplaatsen aansluiting en wijzigen capaciteit naar 3x80 ampère.”voor het adres Sportweg 52A. Ook is hierbij aangegeven
“20 t/m 55 kW piek teruglevering”. Op dezelfde datum heeft de gemeente een aanvraag gedaan ten behoeve van de MFA voor het adres Sportweg 52, voor een nieuwe aansluiting 3x50A, die later is gewijzigd in een aanvraag 3x80A.
“Woensdag 5 augustus is de offerte ongeldig en wordt samen met de netreservering verwijderd.”Op 17 augustus 2020 heeft [naam 2] gereageerd:
“Via deze mail wil ik je laten weten dat we voor een andere oplossing hebben gekozen namelijk:
”De uitkomst van de netberekening is dus dezelfde uit=omst als bij de aanvraag voor een grootverbruik aansluiting. U zult pas in=2022 over het gevraagde vermogen kunnen beschikken.
4.Het geschil
“er in onderhavige kwestie sprake was van een langdurig offertetraject bestaande uit verschillende aanvragen.”Volgens de gemeente was Liander vanaf de datum van de eerste aanvraag van 1 april 2020 op de hoogte van de plannen van de gemeente met betrekking tot de MFA en de wens om een (grootverbruik)aansluiting te realiseren. Ook had Liander volgens de gemeente haar op 17 augustus 2020 moeten waarschuwen dat twee kleinverbruik-aansluitingen geen reële mogelijkheid was en haar moeten informeren over de gevolgen van het niet accepteren van de offerte voor de grootverbruikaansluiting. De gemeente vindt daarom toch dat de aansluittermijn op 1 april 2020 is gaan lopen.
logisch”was dat op de aanvraag voor twee kleinverbruikaansluitingen
“nee op het rekest”volgde
.
”moet worden aangenomen dat die wettelijke termijn onverbindend is.”Liander wijst erop dat ook de ACM de 18-wekentermijn op grond van het voorgaande inmiddels buiten toepassing laat en dat in de memorie van toelichting op de (nog niet in werking getreden) nieuwe Energiewet ook wordt erkend dat de invulling van aansluittermijnen valt onder de exclusieve verantwoordelijkheid van de ACM. In plaats van een termijn van 18 weken moet volgens Liander worden uitgegaan van een ‘redelijke termijn’. De termijn van 34 weken vindt Liander gelet op alle omstandigheden van het geval redelijk. Het was technisch noodzakelijk om een nieuw algemeen voedingspunt (een transformatorhuisje, hierna: AVP) te realiseren in de directe omgeving van de MFA, wat een hoop tijdrovende extra werkzaamheden (locatiebepaling, grondaankoop, vergunningen-aanvraag, gestuurde boringen) met zich heeft meegebracht. Bovendien zijn de aansluitwerkzaamheden gecombineerd met werkzaamheden aan de riolering en de water- en telecomvoorzieningen in de omgeving. Daarnaast wijst Liander op de zogenaamde ‘maakbaarheidsproblematiek’ die volgens haar door de ACM wordt onderkend gezien de door de ACM voorgestelde codewijzigingen.
wettelijketermijn van 18 weken buiten toepassing werd gelaten, maar 18 weken alsnog een redelijke termijn werd geacht.
richtlijnconforme interpretatie” genoemd. Als richtlijnconforme interpretatie niet mogelijk is, moet worden onderzocht of de bepalingen uit de richtlijn rechtstreekse werking hebben.
De regulerende instanties zijn bevoegd voor de vaststelling of de voldoende ruim aan de inwerkingtreding voorafgaande goedkeuring van ten minste de methoden voor het berekenen of vastleggen van de voorwaarden inzake
De nationale rechter, die als uitgangspunt moet hanteren dat de staat de bedoeling heeft gehad ten volle uitvoering te geven aan alle uit de betrokken richtlijn voortvloeiende verplichtingen, moet bij de toepassing van bepalingen van nationaal recht, ongeacht of zij van eerdere of latere datum dan de richtlijn zijn, deze zo veel mogelijk uitleggen in het licht van de bewoordingen van de op het betrokken gebied geldende richtlijnbepalingen. Daarbij moet hij rekening houden met de context van die bepalingen en met de doelstellingen van de regeling waarvan die bepalingen deel uitmaken, zoals uitgelegd door het Hof van Justitie, teneinde het hiermee beoogde resultaat van de richtlijn te bereiken en aldus aan artikel 288, derde alinea, VWEU te voldoen. Hoewel de hier bedoelde richtlijnconforme interpretatie van het nationale recht wordt begrensd door algemene rechtsbeginselen, met name het rechtszekerheidsbeginsel en het verbod van terugwerkende kracht, en niet kan dienen als grondslag voor een contra legem-uitleg van het nationale recht, vereist zij niettemin dat de nationale rechter binnen zijn bevoegdheden al het mogelijke doet om, in overeenstemming met het nationale recht en de daarin erkende uitlegmethoden, de volle werking van de betrokken richtlijn en de daarmee nagestreefde doelstelling te verzekeren.”