Op 4 mei 2021 raakte eiser betrokken bij een verkeersongeval waarbij zijn stilstaande bedrijfsbus werd aangereden. Eiser liep schouderklachten op en kon zijn werkzaamheden als stukadoor niet meer uitvoeren. Hij vorderde in kort geding een aanvullend voorschot op schadevergoeding en buitengerechtelijke kosten van ASR en Bovemij.
De rechtbank stelde vast dat ASR en Bovemij reeds aanzienlijke voorschotten hadden betaald, maar dat de hoogte van de uiteindelijke schade nog onzeker is door lopende medische en bedrijfseconomische onderzoeken. Eiser kon niet voldoende aannemelijk maken dat de reeds betaalde voorschotten onvoldoende waren en dat spoedeisend belang bestond.
Ook de gevorderde aanvullende voorschotten op buitengerechtelijke kosten werden afgewezen vanwege onvoldoende onderbouwing en onduidelijkheid over redelijkheid en noodzakelijkheid. De proceskosten werden aan eiser opgelegd. De voorzieningenrechter oordeelde dat het belang van nader onderzoek en het restitutierisico zwaarder wogen dan het belang van eiser bij een onmiddellijke aanvullende betaling.