De zaak betreft een minderjarige die onder toezicht is gesteld en waarvan de gecertificeerde instelling (GI) een machtiging tot uithuisplaatsing heeft verzocht. De minderjarige is weggelopen uit een jeugdhulpinstelling en haar verblijfplaats is onbekend. De GI verzocht een spoedmachtiging vanwege vermoedens dat de minderjarige bij een meerderjarige man verbleef, welke werd verleend tot 12 januari 2024.
Tijdens de mondelinge behandeling op 28 december 2023 heeft de kinderrechter gesproken met de minderjarige en de moeder. De minderjarige wil niet terug naar een groep en prefereert terugkeer naar haar moeder of een vertrouwenspersoon. De kinderrechter constateert dat de minderjarige zich moeilijk aan regels kan houden en veel zelfbepalend gedrag vertoont, wat deels pubergedrag is.
De kinderrechter beëindigt de spoedmachtiging en wijst de verzoeken tot machtiging uithuisplaatsing af. De terugkeer naar de moeder wordt gezien als de minst onveilige optie, ondanks zorgen over de stabiliteit. De kinderrechter verwacht dat de minderjarige meewerkt aan hulpverlening en afspraken met moeder en gezinsvoogd, en haar school weer oppakt. Het hoger beroep kan binnen drie maanden worden ingesteld.