ECLI:NL:RBGEL:2023:7383

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 september 2023
Publicatiedatum
12 juli 2024
Zaaknummer
10635193 \ CV EXPL 23-5276
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Aangehouden
Procedures
  • Tussenuitspraak
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 21 RvArt. 22 RvArt. 130 RvArt. 139 RvArt. 7:73 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevel tot nadere toelichting dagvaarding inzake kredietovereenkomst en consumentbescherming

De zaak betreft een procedure tussen ING Bank N.V. en een consument waarbij de bank stelt dat er geen kredietovereenkomst is gesloten. De gedaagde is niet verschenen en er is nog geen verstek verleend. De kantonrechter constateert dat de dagvaarding onvoldoende informatie bevat om te beoordelen of de vordering gegrond is, met name in het licht van het Europees consumentenrecht en de toepasselijkheid van titel 2A van boek 7 BW.

De kantonrechter stelt daarom nadere vragen aan de bank over de aard van de overeenkomst, de aanwezigheid van eventuele kredietfaciliteiten zoals een creditcard of kwartaallimiet, de hoogte van de vordering, en de naleving van precontractuele informatieverplichtingen en de zorgplicht uit de Wft. De bank wordt verplicht deze informatie bij akte toe te lichten.

De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting over acht weken. Indien de bank haar eis wijzigt, moet zij dit aan de gedaagde betekenen en deze oproepen voor de zitting. Bij niet-naleving van het bevel kan de rechter passende gevolgen verbinden. Het vonnis is gewezen door kantonrechter D. Vergunst en op 13 september 2023 in het openbaar uitgesproken.

Uitkomst: De kantonrechter beveelt de bank nadere toelichting te geven en houdt de zaak aan tot de rolzitting over acht weken.

Uitspraak

vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaakgegevens 10635193 \ CV EXPL 23-5276 \ 676 \ 40141
uitspraak van 13 september 2023
vonnis
in de zaak van
de naamloze vennootschap ING Bank N.V.
gevestigd te Amsterdam Zuidoost
eisende partij
gemachtigde Flanderijn Gerechtsdeurwaarders
tegen
[gedaagde]
wonende te [woonplaats]
gedaagde partij
niet verschenen

1.De procedure

1.1.
Het procesverloop blijkt uit de dagvaarding van 7 juli 2023.
1.2.
De gedaagde partij heeft niet schriftelijk of mondeling gereageerd op de dagvaarding of om aanhouding van de procedure verzocht. Tegen de gedaagde partij is (nog) geen verstek verleend.

2.De beoordeling

2.1.
Artikel 21 van Pro het Wetboek van burgerlijke rechtsvordering (Rv.) bepaalt:

Partijen zijn verplicht de voor de beslissing van belang zijnde feiten volledig en naar waarheid aan te voeren. Wordt aan deze verplichting niet voldaan, dan kan de rechter daaruit de gevolgtrekkingen maken die hij geraden acht.
2.2.
De gedaagde partij is een natuurlijk persoon. Natuurlijke personen worden in beginsel aangemerkt als consument. Op grond van vaste rechtspraak van het Hof van Justitie van de Europese Unie moet de rechter, als sprake is van een geschil waarbij een consument partij is, de beschermende bepalingen van het Europees consumentenrecht toepassen. Dat moet hij ook doen als daar niet om is gevraagd (‘ambtshalve toepassing’). De dagvaarding moet voldoende informatie verschaffen om de rechter in staat te stellen te beoordelen of de vordering niet onrechtmatig of ongegrond is en daarbij te beslissen of er aanleiding is om het Europees consumentenrecht ambtshalve toe te passen.
2.3.
De onderhavige dagvaarding bevat naar het oordeel van de kantonrechter onvoldoende informatie en voldoet daarmee niet aan de eisen van artikel 21 Rv Pro. Op grond van artikel 22 Rv Pro. is de rechter bevoegd een toelichting op bepaalde stellingen te vragen en te bevelen dat stukken worden overgelegd die op de zaak betrekking hebben.
2.4.
De kantonrechter zal de eisende partij daarom bevelen de stellingen in de dagvaarding toe te lichten. In het bijzonder de stelling dat geen sprake is van een kredietovereenkomst, geoorloofde debetstand of overschrijding. De kantonrechter heeft concreet de volgende vragen:
a. De overgelegde overeenkomst betreft een overeenkomst tot het aanhouden van een bankrekening. Heeft de gedaagde partij op enig moment (ook) een andere overeenkomst met ING gesloten? Bijvoorbeeld een overeenkomst omtrent een creditcard (met of zonder gespreid betalen) of een kwartaallimiet?
b. Indien het antwoord op de vraag onder a “ja” is, ontvangt de kantonrechter graag die overeenkomst en bericht over de datum waarop die overeenkomst is gesloten en beëindigd.
c. Kan de eisende partij uitwerken wat de hoogte van haar vordering is, mocht de kantonrechter tot het oordeel komen dat vernietiging van de (aanvullende) overeenkomst plaats moet vinden? Met andere woorden: een berekening van het totale door de gedaagde partij opgenomen/ontvangen bedrag, minus de door de gedaagde partij gedane betalingen op de hoofdsom, rente en/of kosten.
d. Kan de eisende partij uitwerken of is voldaan aan de (pre)contractuele informatieverplichtingen?
e. Kan de eisende partij uitwerken of voldaan is aan de zorgplicht van art. 4:34 Wft Pro (kredietwaardigheidstoets)?
2.5.
De kantonrechter wijst erop dat de voorgaande vragen van belang zijn in het kader van de beoordeling van de vraag of wel of niet sprake is van toepasselijkheid van titel 2A van boek 7 BW. Een kredietovereenkomst kan namelijk ook een overeenkomst zijn waarbij een kredietgever aan een consument krediet verleent of toezegt in de vorm van uitstel van betaling, een lening of een andere, soortgelijke betalingsfaciliteit. Daarnaast kan sprake zijn van een overschrijding (een stilzwijgend aanvaarde debetstand), waarbij de regels van titel 2A van boek 7 BW gedeeltelijk gelden. Verder kan sprake zijn van een geoorloofde debetstand. Artikel 7:73 BW Pro geeft ook expliciet aan dat de consument de hem krachtens titel 2A van boek 7 BW toegekende bescherming niet kan worden ontzegd, door overeenkomsten een bijzondere vorm te geven, met name door kredietopnemingen of kredietovereenkomsten die onder de Richtlijn vallen op te nemen in overeenkomsten die, door de aard of het doel ervan, buiten de werkingssfeer ervan zouden kunnen vallen. Als de kantonrechter na het nemen van de akte door de eisende partij van oordeel is dat sprake is van een overeenkomst (met kredietfaciliteit) waarop titel 2A van boek 7 BW van toepassing is, zal hij ambtshalve gaan toetsen of aan de voorwaarden die gelden m.b.t. zo’n kredietovereenkomst is voldaan. Ook daar ziet een deel van de vragen op.
2.6.
De kantonrechter wijst erop dat niet steeds tussenvonnissen gewezen zullen blijven worden, maar verwacht wordt dat de eisende partij alle benodigde informatie in zaken die gaan over roodstand bij dagvaarding uitwerkt en bijvoegt.
2.7.
Als naleving van het hiervoor beschreven bevel een verandering of vermeerdering van de eis of de gronden van de eis meebrengt, moet de eisende partij dit vonnis met de aanvulling op de dagvaarding aan de gedaagde partij betekenen. Ook moet zij dan de gedaagde partij oproepen om op de hierna te noemen datum op de rolzitting te verschijnen om voort te procederen in de zaak. Artikel 130 Rv Pro en de goede procesorde vereisen dit. De kosten van de betekening blijven in dat geval voor rekening van de eisende partij.
2.8.
Als aan de hierboven bedoelde opdrachten niet of niet volledig wordt voldaan, zal de rechter daaraan op grond van de artikelen 22 en 139 Rv. de gevolgen verbinden die hij geraden acht.
2.9.
Iedere verdere beslissing wordt aangehouden.

3.De beslissing

De kantonrechter
3.1.
beveelt de eisende partij om bij akte de stellingen in de dagvaarding toe te lichten door de inlichtingen te verstrekken die gevraagd worden in overweging 2.4 van dit vonnis;
3.2.
verwijst de zaak daartoe naar de rolzitting van acht weken na de datum van dit vonnis;
3.3.
bepaalt dat, als de eisende partij de eis of de gronden daarvan verandert of vermeerdert, de eisende partij dit vonnis en hetgeen op grond daarvan in het geding wordt gebracht aan de gedaagde partij moet betekenen en de gedaagde partij moet oproepen om te verschijnen op de hiervoor genoemde rolzitting;
3.4.
houdt iedere verdere beslissing aan.
Dit vonnis is gewezen door de kantonrechter mr. D. Vergunst en in het openbaar uitgesproken op 13 september 2023