De zaak betreft een procedure tussen ING Bank N.V. en een consument waarbij de bank stelt dat er geen kredietovereenkomst is gesloten. De gedaagde is niet verschenen en er is nog geen verstek verleend. De kantonrechter constateert dat de dagvaarding onvoldoende informatie bevat om te beoordelen of de vordering gegrond is, met name in het licht van het Europees consumentenrecht en de toepasselijkheid van titel 2A van boek 7 BW.
De kantonrechter stelt daarom nadere vragen aan de bank over de aard van de overeenkomst, de aanwezigheid van eventuele kredietfaciliteiten zoals een creditcard of kwartaallimiet, de hoogte van de vordering, en de naleving van precontractuele informatieverplichtingen en de zorgplicht uit de Wft. De bank wordt verplicht deze informatie bij akte toe te lichten.
De zaak wordt aangehouden en verwezen naar een rolzitting over acht weken. Indien de bank haar eis wijzigt, moet zij dit aan de gedaagde betekenen en deze oproepen voor de zitting. Bij niet-naleving van het bevel kan de rechter passende gevolgen verbinden. Het vonnis is gewezen door kantonrechter D. Vergunst en op 13 september 2023 in het openbaar uitgesproken.