AI samenvatting door Lexboost • Automatisch gegenereerd
Afwijzing vordering tot zekerheidstelling ex artikel 224 Rv in civiele procedure
In deze civiele procedure vordert gedaagde zekerheidstelling van eiser op grond van artikel 224 RvPro, omdat eiser geen woonplaats in Nederland heeft. De rechtbank overweegt dat artikel 224 RvPro ziet op de partij die een vordering instelt. In de hoofdzaak is gedaagde de eisende partij en eiser de gedaagde partij, ondanks dat eiser verzet heeft ingesteld en een tegenvordering in reconventie heeft gedaan.
De rechtbank oordeelt dat het instellen van verzet en een reconventionele vordering niet maakt dat eiser als eisende partij geldt in de zin van artikel 224 RvPro. Daarom wordt de vordering tot zekerheidstelling afgewezen. Gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het incident, begroot op € 598,00 plus rente en nakosten.
Verder beveelt de rechtbank een mondelinge behandeling om partijen gelegenheid te geven hun standpunten nader toe te lichten, inlichtingen te verstrekken en te onderzoeken of een minnelijke regeling mogelijk is. De zitting wordt gepland in Arnhem, waarbij partijen worden gewezen op de duur van twee uur en de procedurele regels omtrent verhinderingen en wijziging van de zittingsdatum.
Het vonnis is gewezen door rechter N. van der Meer Mohr en ondertekend door rechter M.S.T. Belt op 19 juli 2023.
Uitkomst: De vordering tot zekerheidstelling wordt afgewezen en gedaagde wordt veroordeeld in de kosten van het incident.
Uitspraak
vonnis
RECHTBANK GELDERLAND
Team kanton en handelsrecht
Zittingsplaats Arnhem
zaaknummer / rolnummer: C/05/415309 / HA ZA 23-69
Vonnis in incident van 19 juli 2023
in de zaak van
[eiser],
wonende te [plaats 1] , [land 1] ,
gedaagde in conventie,
eiser in reconventie,
eiser in het verzet,
verweerder in het incident,
advocaat mr. E.H.P. Dingenouts te Rotterdam,
tegen
[gedaagde],
wonende te [plaats 2] , [land 2] ,
eiser in conventie,
verweerder in reconventie,
gedaagde in het verzet,
eiser in het incident,
advocaat mr. P.C. Rijken te 's-Gravenhage.
Partijen zullen hierna [eiser] en [gedaagde] genoemd worden.
1.Het verloop van de procedure
1.1.
[gedaagde] heeft bij dagvaarding van 8 mei 2018 [eiser] in vrijwaring opgeroepen en gevorderd [eiser] hoofdelijk te veroordelen aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 250.000,00 te vermeerderen met rente en kosten zoals in de dagvaarding omschreven, voor zover de rechtbank [gedaagde] in de hoofdprocedure zou veroordelen het gevorderde bedrag geheel of gedeeltelijk te betalen.
1.2.
Bij vonnis in de vrijwaringszaak met zaaknummer C/05/341037 / HA ZA 18/37 gewezen op 28 augustus 2019 is [eiser] hoofdelijk veroordeeld om aan [gedaagde] te betalen een bedrag van € 250.000,00, indien en voor zover [gedaagde] in het kader van de veroordeling in de hoofdzaak (met zaaknummer C/05/329511 / HA ZA 17-525) daadwerkelijk betalingen heeft gedaan aan ABN Amro. Voorts is [eiser] veroordeeld in de proceskosten van de vrijwaring, aan de zijde van [gedaagde] begroot op € 2.516,90.
1.3.
[eiser] heeft bij verzetdagvaarding van 17 januari 2023 in conventie gevorderd hem te verklaren tot goed opposant en met vernietiging van het vonnis onder zaaknummers C/05/329511 / HA ZA 17-525 en C/05/341037 / HA ZA 18/37, aan [gedaagde] (en de andere geopposeerden) de vordering te ontzeggen, met veroordeling van [gedaagde] (en de andere geopposserden) in de rente en kosten zoals in de verzetdagvaarding omschreven. In de verzetdagvaarding heeft [eiser] tevens in voorwaardelijke reconventie gevorderd de in de verzetdagvaarding vermelde overeenkomst(en) partieel te vernietigen voor zover deze met zich zou brengen dat de borgtocht door geopposeerden nog jegens [eiser] in te roepen is en een betalingsverplichting voor [eiser] met zich zou brengen en tevens [gedaagde] (en de andere geopposeerden) te veroordelen in rente en kosten zoals in de verzetdagvaarding omschreven.
1.4.
Bij incidentele conclusie heeft [gedaagde] een incidentele vordering tot het stellen van zekerheid ex artikel 224 RvPro ingesteld met veroordeling van [eiser] in de kosten van het incident.
1.5.
Bij incidentele conclusie van antwoord heeft [eiser] geconcludeerd tot afwijzing van de incidentele vordering met veroordeling van [gedaagde] in de kosten van het incident.
1.6.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.
2.De beoordeling in het incident
2.1.
Op grond van artikel 224 RvPro is degene zonder woonplaats of gewone verblijfplaats in Nederland, die een vordering instelt bij een Nederlandse rechter verplicht om op vordering van de wederpartij zekerheid te stellen voor de proceskosten tot betaling waarvan zij veroordeeld zou kunnen worden. Op grond van deze regeling kan de gedaagde partij zekerheid verlangen van een in het buitenland wonende eisende partij. Het artikel ziet dus op de partij die een vordering instelt.
2.2.
In de hoofdzaak tussen partijen (de vrijwaringszaak) is [gedaagde] de eisende partij (de gewaarborgde) en [eiser] de gedaagde partij (de waarborg). Bij dagvaarding van 8 mei 2018 is [eiser] immers als eerste opgeroepen door [gedaagde] . [eiser] heeft zich op grond van artikel 143 RvPro tegen het verstekvonnis verzet. Artikel 147 RvPro bepaalt dat verzet de instantie heropent en dat het exploot van verzet als conclusie van antwoord geldt. Het instellen van verzet heeft niet tot gevolg dat [eiser] daarmee eisende partij is geworden. Immers, [gedaagde] heeft de vordering in de hoofdzaak ingesteld en [eiser] voert middels het verzet daartegen verweer. Dat [eiser] in de verzetdagvaarding tevens een eis in reconventie instelt, maakt niet dat hij daarmee als eisende partij een vordering instelt in de zin van artikel 224 RvPro.
2.3.
Nu [eiser] niet de eisende partij is, wordt de vordering van [gedaagde] tot het stellen van zekerheid afgewezen. Als de in het ongelijk gestelde partij wordt [gedaagde] veroordeeld in de kosten van dit incident. Deze worden aan de zijde van [eiser] begroot op € 598,00 (1 punt x tarief II). De gevorderde wettelijke rente over de proceskosten zal worden toegewezen met inachtneming van de hierna te bepalen termijn.
2.4.
De nakosten zullen worden toegewezen zoals onder de beslissing is vermeld.
3. De beoordeling in de hoofdzaak
3.1.
De rechtbank zal een mondelinge behandeling bevelen om inlichtingen over de zaak te vragen, partijen gelegenheid te geven hun stellingen nader te onderbouwen en om te onderzoeken of partijen het op een of meer punten met elkaar eens kunnen worden.
3.2.
De rechtbank wijst erop dat zij uit een niet verschijnen van een partij ter mondelinge behandeling de gevolgtrekkingen - ook in het nadeel van die partij - kan maken die zij geraden zal achten.
3.3.
In beginsel wordt ter mondelinge behandeling aan de raadslieden van partijen de gelegenheid geboden de juridische standpunten van partijen nader toe te lichten. Daarbij mag gebruik worden gemaakt van beknopte spreekaantekeningen. Uitgebreide mondelinge en schriftelijke uiteenzettingen zullen echter niet worden toegestaan.
3.4.
Op de mondelinge behandeling zal, eventueel aan de hand van een voorlopig oordeel over de zaak, worden nagegaan hoe de verdere gang van de procedure moet zijn. Daarbij kan ook de mogelijkheid van een schikking of inschakeling van een mediator aan de orde komen. De zitting eindigt met een aantal formaliteiten.
4.De beslissing
De rechtbank
in het incident
4.1.
wijst het gevorderde af,
4.2.
veroordeelt [gedaagde] in de kosten van het incident, aan de zijde van [eiser] tot op heden begroot op € 598,00, te voldoen binnen 14 dagen na de datum van dit vonnis, bij gebreke waarvan voormeld bedrag wordt vermeerderd met de wettelijke rente met ingang van de vijftiende dag na de datum van dit vonnis tot de dag van volledige betaling,
4.3.
veroordeelt [gedaagde] in de na dit vonnis ontstane kosten, begroot op € 173,00 aan salaris advocaat, te vermeerderen, onder de voorwaarde dat [gedaagde] niet binnen veertien dagen na aanschrijving aan het vonnis heeft voldaan en er vervolgens betekening van de uitspraak heeft plaatsgevonden, met een bedrag van € 90,00 aan salaris advocaat en de explootkosten van betekening van de uitspraak,
4.4.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
4.5.
beveelt een verschijning van partijen, bijgestaan door hun advocaten, voor het geven van inlichtingen het nader onderbouwen van hun stellingen en ter beproeving van een minnelijke regeling op de terechtzitting van een nog aan te wijzen rechter van deze rechtbank in het gerechtsgebouw te Arnhem aan Walburgstraat 2 - 4 op een door de rechtbank vast te stellen datum en tijd,
4.6.
bepaalt dat de zaak weer op de rol zal komen van 2 augustus 2023voor het opgeven van de verhinderdagen van de partijen en hun advocaten in de maanden september tot en met november 2023, waarna dag en uur van de mondelinge behandeling zullen worden bepaald,
4.7.
bepaalt dat bij gebreke van de gevraagde opgave(n) de rechtbank het tijdstip van de mondelinge behandeling zelfstandig zal bepalen,
4.8.
bepaalt dat na de vaststelling van het tijdstip van de mondelinge behandeling dit in beginsel niet zal worden gewijzigd,
4.9.
wijst partijen er op, dat voor de zitting 2 uur zal worden uitgetrokken.
Dit vonnis is gewezen door mr. N. van der Meer Mohr en op 19 juli 2023 in het openbaar uitgesproken en ondertekend door mr. M.S.T. Belt.