ECLI:NL:RBGEL:2024:107

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
10 januari 2024
Publicatiedatum
11 januari 2024
Zaaknummer
C/05/423895 / HZ ZA 23-251
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Niet-ontvankelijk
Procedures
  • Op tegenspraak
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 1019j RvArt. 7:369 lid 2 BWArt. 71 lid 3 RvArt. 93 aanhef en onder d RvArt. 94 lid 2 Rv
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Bevoegdheidsincident en verwijzing naar pachtkamer inzake geschil over pachtovereenkomst en gebruik van landbouwpercelen

In deze zaak staat een bevoegdheidsincident centraal waarbij de rechtbank Gelderland moet beoordelen of zij bevoegd is om te oordelen over geschillen voortvloeiend uit een pachtovereenkomst tussen partijen. De gezamenlijke eisers exploiteren een agrarisch bedrijf en pachten diverse percelen landbouwgrond van gedaagde partijen. Er is onenigheid over het gebruik van een perceel en de opzegging van een pachtovereenkomst door een van de gedaagden.

De gezamenlijke eisers vorderen onder meer het recht om een dam aan te leggen en het verbod voor gedaagden om bepaalde percelen te betreden, terwijl gedaagden in reconventie de beëindiging van de pachtovereenkomst vorderen en stellen dat de eisers zich niet als een goed pachter hebben gedragen. Gedaagden stellen dat de rechtbank onbevoegd is en dat de zaak moet worden behandeld door de pachtkamer, omdat het geschil voortvloeit uit de pachtovereenkomst.

De rechtbank oordeelt dat zowel de vorderingen in conventie als in reconventie hun grondslag vinden in de pachtovereenkomst en dat er sprake is van samenhang die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet. Daarom verklaart de rechtbank zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de bevoegde pachtkamer. Tevens veroordeelt de rechtbank de gezamenlijke eisers in de proceskosten van het incident.

Uitkomst: De rechtbank verklaart zich onbevoegd en verwijst de zaak naar de bevoegde pachtkamer.

Uitspraak

RECHTBANK Gelderland

Civiel recht
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: C/05/423895 / HZ ZA 23-251
Vonnis in het bevoegdheidsincident van 10 januari 2024
in de zaak van

1.[eiser 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser 2],
te [woonplaats] ,
3.
JOHANNA ELIZABETH [eiser 3],
te [woonplaats] ,
4.
[eiser 4],
te [woonplaats] ,
eisende partijen in de hoofdzaak in conventie,
verwerende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
verwerende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gezamenlijke eisers] , en voor zover nodig afzonderlijk: [eiser 1] , [eiser 2] , [eiser 3] en [eiser 4] ,
advocaat: mr. P. Stehouwer te Groningen,
tegen

1.[gedaagde 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[gedaagde 2],
te [woonplaats] ,
3.
[gedaagde 3],
te [woonplaats] ,
4.
[gedaagde 4],
te [woonplaats] ,
5.
[gedaagde 5],
te [woonplaats] ,
gedaagde partijen in de hoofdzaak in conventie,
eisende partijen in de hoofdzaak in reconventie,
eisende partijen in het incident,
hierna samen te noemen: [gezamenlijke gedaagden] , en voor zover nodig afzonderlijk: [gedaagde 1] , [gedaagde 2] , [gedaagde 3] , [gedaagde 4] en [gedaagde 5] ,
advocaat: mr. B. Nijman te Veenendaal.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de conclusie van antwoord in conventie, tevens houdende een eis in reconventie en een onbevoegdheidsverweer
- de conclusie van antwoord in het onbevoegdheidsincident.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald in het incident.

2.De feiten in het incident

2.1.
In het kader van het incident gaat de rechtbank uit van de volgende feiten.
2.2.
[gezamenlijke eisers] exploiteert een agrarisch bedrijf. Tot het bedrijf behoren percelen landbouwgrond in eigendom, te weten de percelen [perceelnummer(s)] en [perceelnummer(s)] op onderstaande kaart. [gedaagde 3] is eigenaar van de percelen [perceelnummer(s)] , [perceelnummer(s)] en [perceelnummer(s)] . [gezamenlijke eisers] pacht de percelen [perceelnummer(s)] en [perceelnummer(s)] van [gedaagde 3] . Perceel [perceelnummer(s)] is eigendom van [gedaagde 4] en [gedaagde 5] en wordt gepacht door [gedaagde 2] .
2.3.
In de afgelopen twee jaren heeft [gedaagde 2] op verzoek van [gedaagde 3] werkzaamheden uitgevoerd op perceel [perceelnummer(s)] van [gedaagde 3] . Om op perceel [perceelnummer(s)] te kunnen komen, maakte [gedaagde 2] gebruik van perceel [perceelnummer(s)] , welk perceel zoals gezegd door [gezamenlijke eisers] wordt gepacht van [gedaagde 3] .
2.4.
[gezamenlijke eisers] heeft zowel aan [gedaagde 2] als aan [gedaagde 4] en [gedaagde 5] voorgesteld dat hij zorgdraagt voor het aanleggen van een drie meter brede dam op perceel [perceelnummer(s)] , zodat [gedaagde 2] in het vervolg over die dam van perceel [perceelnummer(s)] naar perceel [perceelnummer(s)] kan gaan en dus niet meer via perceel [perceelnummer(s)] hoeft te rijden. Zowel [gedaagde 2] als [gedaagde 4] en [gedaagde 5] hebben aan dit voorstel geen medewerking verleend.
2.5.
Ten aanzien van perceel [perceelnummer(s)] heeft [gedaagde 3] de pachtovereenkomst opgezegd. [gezamenlijke eisers] heeft zich tegen die opzegging verzet.

3.Het geschil in de hoofdzaak

in conventie
3.1.
[gezamenlijke eisers] vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
I. [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. veroordeelt om te gehengen en gedogen dat [gezamenlijke eisers] een dam aanlegt met een breedte van 3,5 meter, zoals schetsmatig aangegeven op productie 4 bij de dagvaarding;
II. [gedaagde 4] en [gedaagde 5] veroordeelt om te gehengen en gedogen dat zolang [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] pachter/gebruiker is van zowel de percelen [perceelnummer(s)] als [perceelnummer(s)] , [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] gebruik maakt van perceel [perceelnummer(s)] en het ‘puntje’ van [perceelnummer(s)] om te komen en gaan naar perceel [perceelnummer(s)] ;
III. [gedaagde 1] en/of [gedaagde 2] verbiedt om, nadat de onder I bedoelde dam is aangelegd (en zolang [gedaagde 1] dan wel [gedaagde 2] gebruiker is van perceel [perceelnummer(s)] ) het perceel [perceelnummer(s)] te betreden, op straffe van verbeurte van een dwangsom van € 1.000,00 voor iedere handeling in strijd met dit verbod;
IV. [gedaagde 1] , [gedaagde 2] en [gedaagde 3] veroordeelt in de proceskosten.
3.2.
[gezamenlijke eisers] legt aan zijn vorderingen ten grondslag dat sprake is van een onwenselijke situatie, doordat [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 1] over percelen landbouwgrond rijdt waarvan [gezamenlijke eisers] de gebruiker/pachter is. [gezamenlijke eisers] ondervindt er schade van dat [gedaagde 2] vanaf de [straatnaa] over perceel [perceelnummer(s)] rijdt om perceel [perceelnummer(s)] te kunnen bereiken. Omdat [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. niet zijn ingegaan op de door [gezamenlijke eisers] voorgestelde oplossing (zie 2.4), is [gezamenlijke eisers] deze procedure begonnen om alsnog de door hem gewenste oplossing te bereiken.
3.3.
[gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. voert verweer. [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. concludeert – indien de rechtbank zich bevoegd acht de vorderingen van [gezamenlijke eisers] te beoordelen – tot niet-ontvankelijkheid van [gezamenlijke eisers] , dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gezamenlijke eisers] , met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gezamenlijke eisers] in de kosten van deze procedure, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
in reconventie
3.4.
[gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. vordert dat de rechtbank bij vonnis, uitvoerbaar bij voorraad:
primair
I. de datum bepaalt waarop de pachtovereenkomst tussen [gedaagde 3] en [gezamenlijke eisers] zal eindigen;
subsidiair
II. voor recht verklaart dat [gezamenlijke eisers] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt;
primair en subsidiair
III. [gezamenlijke eisers] veroordeelt in de proceskosten, waaronder de nakosten, te vermeerderen met de wettelijke rente.
3.5.
[gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. legt aan zijn primaire vordering artikel 7:369 lid 2 van Pro het Burgerlijk Wetboek (BW) ten grondslag. Omdat [gezamenlijke eisers] zich tegen de opzegging van de pachtovereenkomst heeft verzet, vordert [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. op grond van die bepaling dat de rechtbank het tijdstip vaststelt waarop de overeenkomst zal eindigen. Aan zijn subsidiaire vordering legt [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. ten grondslag dat [gezamenlijke eisers] zich niet als een goed pachter heeft gedragen. Ten eerste heeft [gezamenlijke eisers] na het einde van de pachtovereenkomst het door hem gepachte perceel niet ontruimd, maar de gronden opnieuw in gebruik genomen en ingezaaid. Bovendien heeft [gezamenlijke eisers] de bestaande ontsluiting over het door hem gepachte perceel onbruikbaar gemaakt, door op de strook die voor de ontsluiting dient een gewas in te zaaien en vervolgens [gedaagde 2] de toegang tot die strook grond te ontzeggen.
3.6.
[gezamenlijke eisers] voert verweer. [gezamenlijke eisers] concludeert tot niet-ontvankelijkheid van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s., dan wel tot afwijzing van de vorderingen van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s., met uitvoerbaar bij voorraad te verklaren veroordeling van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. in de kosten van deze procedure.

4.Het geschil in het incident

4.1.
[gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. vordert dat de rechtbank zich onbevoegd zal verklaren kennis te nemen van de vorderingen van [gezamenlijke eisers] , althans van de vorderingen van [gezamenlijke eisers] .
4.2.
[gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. legt daaraan ten grondslag dat [gezamenlijke eisers] in de hoofdzaak eigenlijk klaagt dat [gedaagde 3] zijn verplichtingen als verpachter niet nakomt, doordat Snelling gebruik maakt van een deel van het perceel dat [gezamenlijke eisers] pacht van [gedaagde 3] . Het gaat hier volgens [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. dan ook om een geschil tussen [gezamenlijke eisers] en [gedaagde 3] dat voortvloeit uit de tussen hen bestaande pachtovereenkomst. Op grond van artikel 1019j van het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering (Rv) behoort een dergelijk geschil tot de bevoegdheid van de pachtkamer.
4.3.
[gezamenlijke eisers] voert verweer. [gezamenlijke eisers] concludeert tot afwijzing van de incidentele vordering voor zover het de conventie betreft, met veroordeling van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. in de kosten van het incident. In reconventie verzoekt [gezamenlijke eisers] de rechtbank om de zaak ambtshalve door te verwijzen naar de bevoegde pachtkamer.

5.De beoordeling in het incident

5.1.
Artikel 1019j aanhef en onder a Rv bepaalt dat de pachtkamer van de rechtbank alle zaken betreffende een pachtovereenkomst als bedoeld in titel 5 van boek 7 BW behandelt en beslist. De vraag of de zaak naar de pachtkamer moet worden verwezen, moet op grond van artikel 71 lid 3 Rv Pro worden beoordeeld aan de hand van het voorlopig oordeel van de rechtbank over het onderwerp van het geschil.
5.2.
In de hoofdzaak in reconventie vordert [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. primair dat de rechtbank op grond van artikel 7:369 lid 2 BW Pro de datum bepaalt waarop de pachtovereenkomst tussen [gedaagde 3] en [gezamenlijke eisers] zal eindigen. Subsidiair vordert [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. een verklaring voor recht dat [gezamenlijke eisers] zich niet heeft gedragen zoals het een goed pachter betaamt. Aan beide vorderingen in reconventie ligt de pachtovereenkomst ten grondslag. Dat is tussen partijen ook niet in geschil. De reconventie betreft daarmee een zaak als bedoeld in artikel 93 aanhef Pro en onder d Rv, ten aanzien waarvan de wet – te weten artikel 1019j aanhef en onder a Rv – bepaalt dat deze (als kantonzaak) wordt behandeld en beslist door de meervoudige pachtkamer.
5.3.
In het geval van zaken in conventie en reconventie, waarvan er ten minste één een vordering betreft als bedoeld in artikel 93 aanhef Pro en onder d Rv, is artikel 94 lid 2 Rv Pro van overeenkomstige toepassing. Op grond van artikel 94 lid 2 Rv Pro worden de zaken in conventie en in reconventie alle door de kantonrechter – in dit geval: de pachtkamer – behandeld en beslist, voor zover de samenhang tussen de vorderingen zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
5.4.
Ook de vorderingen in conventie vinden – anders dan [gezamenlijke eisers] kennelijk meent – hun grondslag in de pachtovereenkomst. [gezamenlijke eisers] wil met zijn vorderingen in conventie immers een einde maken aan de situatie dat [gedaagde 2] dan wel [gedaagde 1] over het perceel rijdt waarvan [gezamenlijke eisers] de gebruiker/pachter is. [gezamenlijke eisers] beroept zich dus in feite op zijn gebruiksrecht dat hem toekomt op basis van de pachtovereenkomst. Gelet hierop is naar het oordeel van de rechtbank sprake van een samenhang tussen de vorderingen in conventie en in reconventie die zich tegen afzonderlijke behandeling verzet.
5.5.
De slotsom is dat de rechtbank zich zowel in conventie als in reconventie onbevoegd zal verklaren en de zaak zal verwijzen naar de in deze bevoegde pachtkamer van deze rechtbank.
5.6.
[gezamenlijke eisers] zal als de in het ongelijk gestelde partij worden veroordeeld in de proceskosten in het incident. De rechtbank stelt deze kosten aan de kant van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. vast op € 598,00 wegens salaris advocaat (1,0 punt × tarief € 598,00).

6.De beoordeling in de hoofdzaak

6.1.
De rechtbank zal de zaak naar de pachtkamer van deze rechtbank verwijzen, waarna de pachtkamer zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet.
6.2.
De rechtbank wijst partijen erop dat:
 zij op de hierna vermelde rolzitting niet hoeven te verschijnen, omdat de pachtkamer eerst zal beslissen op welke wijze de procedure zal worden voortgezet, waarna de griffier partijen over deze beslissing zal informeren;
 zij in het vervolg van de procedure bij de pachtkamer niet meer hoeven te worden vertegenwoordigd door een advocaat, maar ook persoonlijk of bij gemachtigde kunnen verschijnen;
 het in deze procedure geheven griffierecht op grond van artikel 8 lid 4 van Pro de Wet griffierechten burgerlijke zaken (WGBZ) zal worden verlaagd en dat het teveel betaalde griffierecht door de griffier zal worden teruggestort.

7.De beslissing

De rechtbank
in het incident
7.1.
wijst de vordering toe,
7.2.
veroordeelt [gezamenlijke eisers] in de kosten van dit incident, aan de kant van [gedaagde 2] - [gedaagde 3] c.s. vastgesteld op € 598,00 wegens salaris advocaat,
7.3.
verklaart deze proceskostenveroordeling uitvoerbaar bij voorraad,
in de hoofdzaak
7.4.
verwijst de zaak in conventie en in reconventie, in de stand waarin deze zich bevindt, naar de rolzitting van de pachtkamer van de rechtbank Gelderland, locatie Zutphen, op woensdag 7 februari 2024 om 10.00 uur, voor beraad pachtkamer.
Dit vonnis is gewezen door mr. P.F.A. Bierbooms en in het openbaar uitgesproken op 10 januari 2024.
JE/PB