Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- de conclusie van antwoord in het incident.
2.De feiten
3.Het geschil in incident
4.De beoordeling
5.De beslissing
10 april 2023voor conclusie van antwoord door [gedaagde] .
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een geschil tussen een tandartspraktijk (eiser) en een opdrachtnemer (gedaagde) die als zelfstandig ondernemer werkzaamheden verrichtte voor eiser en vervolgens een eigen praktijk startte op korte afstand van eiser. Eiser vordert een voorlopige voorziening om onrechtmatig handelen van gedaagde te staken, waaronder sluiting van diens praktijk of een verbod op het behandelen van patiënten van eiser.
De rechtbank overweegt dat gedaagde op grond van de overeenkomst vrij was om ook voor derden werkzaam te zijn en dat geen concurrentiebeding was overeengekomen. De rechtbank stelt dat concurreren in beginsel is toegestaan, ook door een voormalig opdrachtnemer. Eiser heeft onvoldoende aannemelijk gemaakt dat gedaagde onrechtmatig handelt. Er is geen bewijs dat gedaagde patiënten of personeel onrechtmatig heeft geworven of gebruikmaakt van vertrouwelijke middelen.
Ook is onvoldoende onderbouwd dat eiser een spoedeisend belang heeft bij de voorlopige voorziening. De gevorderde sluiting van de praktijk is bovendien een definitieve maatregel die niet geschikt is voor een voorlopige voorziening. Daarom wijst de rechtbank de vordering af en veroordeelt eiser in de proceskosten.
Uitkomst: De rechtbank wijst de voorlopige voorziening af wegens het ontbreken van onrechtmatige concurrentie door de opdrachtnemer.