ECLI:NL:RBGEL:2024:1347

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
13 maart 2024
Publicatiedatum
12 maart 2024
Zaaknummer
10789021 CV EXPL 23-3009
Type
Uitspraak
Rechtsgebied
Civiel recht
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Eerste aanleg - enkelvoudig
Rechters
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 3:307 lid 1 BWArt. 3:317 lid 1 BWArt. 238 Rv
Verwijzingen
3 uitgaand
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing vordering zorgpremies wegens verjaring

ASR vordert betaling van onbetaalde premies voor basis- en aanvullende zorgverzekering over de periode van maart tot oktober 2017, vermeerderd met rente en incassokosten. ASR baseert haar vordering op een afgesloten zorgverzekeringsovereenkomst met [gedaagde], die volgens haar niet is opgezegd.

[gedaagde] betwist het bestaan van de verzekeringsovereenkomst en voert verjaring aan. De rechtbank oordeelt dat ASR het aanvraagformulier en de polis heeft overgelegd, waarmee het bestaan van de overeenkomst is bewezen. De verzekering is jaarlijks verlengd en niet opgezegd.

Echter, de oudste schriftelijke aanmaning van ASR dateert van juli 2023, terwijl de verjaringstermijn van vijf jaar uiterlijk in maart 2022 was verstreken. Hierdoor is de vordering verjaard en wijst de rechtbank de vordering, inclusief rente en incassokosten, af. Proceskosten worden vastgesteld op nihil.

Uitkomst: De vordering van ASR tot betaling van zorgpremies is afgewezen wegens verjaring.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Zutphen
Zaaknummer: 10789021 \ CV EXPL 23-3009
Vonnis van 13 maart 2024
in de zaak van

1.ASR BASIS ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,

te Amersfoort,
2.
ASR AANVULLENDE ZIEKTEKOSTENVERZEKERINGEN N.V.,
te Amersfoort,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: ASR,
gemachtigde: LAVG Groningen,
tegen
[gedaagde],
te [plaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding van 25 oktober 2023,
- de conclusies van antwoord, repliek en dupliek.
1.2.
Ten slotte is vonnis bepaald.

2.Het geschil

2.1.
ASR vordert – samengevat – bij vonnis, voor zoveel mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, de veroordeling van [gedaagde] tot betaling van een bedrag van € 1.280,27 te vermeerderen met rente en kosten.
2.2.
ASR legt de volgende stellingen aan haar vordering ten grondslag.
[gedaagde] heeft met ASR een zorgverzekeringsovereenkomst gesloten, die betrekking heeft op een basisverzekering en aanvullende verzekering. [gedaagde] heeft de premies voor de aanvullende en basisverzekering over de periode 1 maart 2017 tot en met 1 oktober 2017 voor een bedrag van € 965,70 (€ 992,05 -/- € 26,35) onbetaald gelaten zodat zij tekort is geschoten in haar betalingsverplichting uit hoofde van de tussen partijen gesloten zorgovereenkomst. [gedaagde] is daarom naast de hiervoor genoemde hoofdsom de wettelijke rente berekend tot 6 oktober 2023 van € 139,29 verschuldigd omdat zij in verzuim verkeert, alsook de buitengerechtelijke incassokosten van € 175,28.
2.3.
[gedaagde] voert verweer en concludeert tot afwijzing van de vorderingen van ASR.
2.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover nodig, nader ingegaan.

3.De beoordeling

3.1.
[gedaagde] voert – onder meer – aan dat zij geen zorgverzekeringsovereenkomst met ASR heeft afgesloten. Zij wordt daarin niet gevolgd.
Bij dupliek heeft ASR namelijk het door [gedaagde] ingevulde aanvraagformulier voor het treffen van een zorgverzekeringsovereenkomst met ASR (toentertijd genaamd DITZO) overgelegd. Deze aanvraag heeft ASR geaccepteerd en aan [gedaagde] bevestigd door verzending van de polis (aan [gedaagde] ) en de mededeling dat zij vanaf 7 april 2015 (bij ASR) is verzekerd. Op dat moment is er tussen partijen dus een verzekeringsovereenkomst tot stand gekomen.
3.2.
Een verzekeringsovereenkomst wordt (normaliter) elk jaar verlengd, tenzij deze wordt opgezegd. Niet gesteld of gebleken is dat [gedaagde] de overeenkomst met ASR heeft opgezegd. Voor zo ver [gedaagde] heeft willen aanvoeren dat zij de overeenkomst heeft ontbonden of dat zij wegens gemoedsbezwaren niet verzekerd wilde zijn in die periode, heeft zij dit onvoldoende onderbouwd.
3.3.
Het voorgaande leidt tot de conclusie dat [gedaagde] vanaf 2015 bij ASR is verzekerd en aan ASR dus de maandelijkse premie voor haar basis en aanvullende verzekering van 2017 bij vooruitbetaling is verschuldigd.
3.4.
[gedaagde] stelt zich verder op het standpunt dat de vordering van ASR is verjaard.
3.5.
Op grond van artikel 3:307 lid 1 BW Pro verjaart een rechtsvordering tot nakoming van een verbintenis uit een overeenkomst tot een geven of een doen door verloop van vijf jaren na de aanvang van de dag, volgende op die waarop de vordering opeisbaar is geworden. Artikel 3:317 lid 1 BW Pro bepaalt verder dat voornoemde verjaring wordt gestuit door onder meer een schriftelijke aanmaning.
3.6.
De vervaldatum van het oudst openstaande bedrag waarvan door ASR betaling wordt gevorderd is 1 maart 2017. Gelet daarop dient vast komen te staan dat uiterlijk op
1 maart 2022 een stuitingshandeling heeft plaatsgevonden, wil de gehele vordering toewijsbaar zijn. De oudste en enige (in het geding gebrachte) aan [gedaagde] door ASR verzonden schriftelijke aanmaning dateert van 24 juli 2023. De verjaring is dan al voltooid en de vordering van ASR is dus verjaard. Dat betekent dat de vordering van ASR zal worden afgewezen.
3.7.
Omdat de gevorderde hoofdsom wordt afgewezen, treffen de nevenvorderingen van ASR (rente en buitengerechtelijke incassokosten) hetzelfde lot.
3.8.
Aangezien [gedaagde] zonder gemachtigde procedeert en is gesteld noch gebleken van door haar gemaakte kosten als bedoeld in artikel 238 Rv Pro, zullen die worden vastgesteld op nihil.

4.De beslissing

De kantonrechter
4.1.
wijst de vordering af,
4.2.
veroordeelt ASR in de proceskosten aan de zijde van [gedaagde] , vastgesteld op nihil.
Dit vonnis is gewezen door mr. S.E. Sijsma en in het openbaar uitgesproken op 13 maart 2024.
(LL)