De zaak betreft een verzoek van de gecertificeerde instelling Jeugdbescherming Gelderland tot opheffing van de ondertoezichtstelling van drie minderjarige kinderen, welke sinds 2018 van kracht is en tot 6 april 2024 zou lopen. De vader verzoekt daarentegen om verlenging van deze maatregel, stellende dat de kinderen nog steeds ernstig in hun ontwikkeling worden bedreigd en dat er onvoldoende contact en informatievoorziening is tussen ouders en kinderen.
De moeder ondersteunt het verzoek tot opheffing, maar wenst een tussenpersoon voor communicatie met de vader. De gecertificeerde instelling geeft aan dat ondanks hulpverleningstrajecten de ex-partnerproblematiek tussen ouders hardnekkig blijft en dat de moeder geen emotionele toestemming geeft voor contact tussen kinderen en vader. De vader betwist enkele door de gecertificeerde instelling genoemde feiten, zoals de afronding van behandelingen.
De kinderrechter oordeelt dat de wettelijke criteria voor verlenging van de ondertoezichtstelling nog steeds gelden, mede vanwege de voortdurende communicatieproblemen en emotionele onveiligheid tussen ouders die de ontwikkeling van de kinderen bedreigen. Ook constateert de rechter dat de gecertificeerde instelling geen mededeling aan de Raad voor de Kinderbescherming heeft gedaan zoals wettelijk vereist. Het verzoek tot opheffing wordt daarom afgewezen en de ondertoezichtstelling wordt met vier maanden verlengd. De kinderrechter beveelt verdere inspanningen om de communicatie tussen ouders te verbeteren, onder meer via het traject Solo Parallel Ouderschap.