In deze bestuursrechtelijke zaak betwist belanghebbende de naheffingsaanslag loonheffingen 2014 van de inspecteur, die betalingen aan vier werknemers als loon aanmerkte. De rechtbank beoordeelt of deze betalingen als loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 moeten worden beschouwd.
De inspecteur stelt dat de betalingen verband houden met de dienstbetrekking en de succesvolle verkoop van aandelen, en daarom loon vormen. Belanghebbende betoogt dat het privéschenkingen zijn door de directeur-aandeelhouder aan werknemers die in financieel zwaar weer verkeerden, zonder verband met hun dienstbetrekking.
De rechtbank acht de toelichting van belanghebbende geloofwaardig en concludeert dat de inspecteur niet heeft bewezen dat de betalingen hun grond in de dienstbetrekking vinden. De naheffingsaanslag en belastingrentebeschikking worden vernietigd, de proceskosten worden aan de inspecteur opgelegd en het betaalde griffierecht wordt aan belanghebbende vergoed.