Vrijdag webinar: live demo van Lexboost

ECLI:NL:RBGEL:2024:1871

Rechtbank Gelderland

Datum uitspraak
26 januari 2024
Publicatiedatum
3 april 2024
Zaaknummer
10708997 \ VV EXPL 23-65
Instantie
Rechtbank Gelderland
Type
Uitspraak
Uitkomst
Afwijzend
Procedures
  • Kort geding
Vindplaatsen
  • Rechtspraak.nl
Aangehaalde wetgeving Pro
Art. 6:265 lid 1 BW
AI samenvatting door LexboostAutomatisch gegenereerd

Afwijzing ontruimingsvordering wegens volledig betaalde huurachterstand kort voor zitting

In deze kortgedingprocedure vorderden de verhuurders ontruiming van de woning en betaling van een aanzienlijke huurachterstand door de huurster. De huurovereenkomst betrof een zelfstandige woonruimte, waarbij de huurster sinds november 2022 meerdere maanden huur niet tijdig had betaald.

De huurster had echter de dag vóór de zitting de volledige huurachterstand voldaan, waardoor de kantonrechter oordeelde dat de omvang van de huurachterstand ten tijde van de zitting nihil was. Dit maakte ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming niet gerechtvaardigd, mede gelet op het woonbelang van de huurster en haar omstandigheden, waaronder het onterecht stopzetten van haar uitkering en haar pogingen tot werkhervatting.

De kantonrechter wees de ontruimingsvordering af, evenals de vordering tot betaling van de resterende huur en de nevenvordering tot ontruimingskosten. Wel werd de huurster veroordeeld tot betaling van de wettelijke rente over de huurachterstand tot de datum van betaling en tot betaling van de proceskosten, aangezien zij pas na aanvang van de procedure tot betaling overging.

Uitkomst: De vordering tot ontruiming wordt afgewezen omdat de huurster de huurachterstand de dag vóór de zitting volledig heeft voldaan.

Uitspraak

RECHTBANKGELDERLAND
Civiel recht
Kantonrechter
Zittingsplaats Nijmegen
Zaaknummer: 10708997 \ VV EXPL 23-65
Vonnis in kort geding van 26 januari 2024
in de zaak van

1.[eiser sub 1] ,

te [woonplaats] ,
2.
[eiser sub 2],
te [woonplaats] ,
eisende partijen,
hierna samen te noemen: [eisers] ,
gemachtigde: mr. M.J. Wagemans,
tegen
[gedaagde],
te [woonplaats] ,
gedaagde partij,
hierna te noemen: [gedaagde] ,
procederend in persoon.

1.De procedure

1.1.
Het verloop van de procedure blijkt uit:
- de dagvaarding
- de mondelinge behandeling van 29 september 2023.
1.2.
De zaak is na de mondelinge behandeling aangehouden in verband met overleg tussen partijen. Bij e-mailbericht van 27 december 2023 heeft mr. Wagemans de griffie bericht dat partijen geen overeenstemming hebben kunnen bereiken en om vonnis verzocht.

2.De feiten

2.1.
Op 1 juni 2016 heeft de vader van [eisers] een huurovereenkomst met [gedaagde] gesloten met betrekking tot de zelfstandige woonruimte gelegen aan de [adres het gehuurde] (hierna: het gehuurde). De kale huurprijs bedroeg € 710,00 per maand en de servicekosten bedroegen € 150,00 per maand. De huur is telkens bij vooruitbetaling verschuldigd, steeds te voldoen vóór of uiterlijk op de eerste dag van elke maandelijkse huurperiode.
2.2.
Na het overlijden van hun vader zijn [eisers] als erfgenamen van rechtswege verhuurder geworden. De huurovereenkomst is inmiddels een overeenkomst voor onbepaalde tijd.
2.3.
Beheerder van het gehuurde is stichting [de stichting] (hierna: [de stichting] ).
2.4.
Nadat in 2019 een betalingsachterstand was ontstaan in de huurbetalingen, heeft [gedaagde] op 5 juni 2019 met een betaling van € 2.130,00 de betalingsachterstand van de maanden april, mei en juni 2019 ingelopen.
2.5.
Op 8 december 2022 mailt [de stichting] aan [gedaagde] dat de huur van november 2022 onbetaald is gebleven. Op 10 januari 2023 bericht [de stichting] aan [gedaagde] dat de huur van januari 2023, december 2022 en een deel van de huur van november 2022 onbetaald is gebleven.
2.6.
De gemeente [gemeente] maakt namens [gedaagde] in drie afzonderlijke betalingen (op 28 november 2022, 31 januari 2023 en 7 februari 2023) een totaalbedrag over aan [eisers] van € 1.946,77. Dit betreft de huur van de maanden november en december 2022 en een deel (€ 526,77) van de huur van januari 2023.
2.7.
Op 6 februari 2023 verzoekt [de stichting] [gedaagde] per mail de servicekosten over de maand februari 2023 te voldoen. Nadat [de stichting] op 8 maart 2023 een aantal WhatsApp-berichten aan [gedaagde] heeft gestuurd waarop [gedaagde] niet reageert, stuurt zij haar op 21 maart 2023 een aangetekende brief met de mededeling dat er geen betalingen meer zijn binnengekomen. [de stichting] geeft [gedaagde] te kennen dat zij binnen veertien dagen na dagtekening van die brief alsnog aan haar verplichtingen moet voldoen en dat zij anders haar incassogemachtigde zal inschakelen.
2.8.
Op 11 april 2023 mailt [de stichting] [gedaagde] dat zij een huurachterstand heeft van € 3.213,23. [de stichting] verzoekt haar dit bedrag per ommegaande over te maken. Ook deelt [de stichting] mee dat zij verplicht is de gegevens van [gedaagde] vanwege de opgelopen betalingsachterstanden te melden aan de gemeente en maatschappelijke hulpverlening. Zij vraagt of [gedaagde] bezwaar heeft tegen het delen van de gegevens.
2.9.
Op 14 april 2023 mailt [de stichting] aan [gedaagde] dat de servicekosten per mei 2023 worden verhoogd met € 80,00, naar € 230,00 per maand. [de stichting] stuurt [gedaagde] vervolgens op 25 april 2023 een brief waarin zij meedeelt dat de huurprijs per 1 juli 2023 zal worden verhoogd met 3,10% naar € 732,01 per maand.
2.10.
Op 12 mei 2023 mailt [de stichting] [gedaagde] dat de huur nog niet is betaald en verzoekt zij haar om de huurachterstand van € 4.153,23 over te maken. Ook nu deelt [de stichting] mee dat zij verplicht is de gegevens van [gedaagde] vanwege de opgelopen betalingsachterstanden te melden aan de gemeente en maatschappelijke hulpverlening en vraagt zij of [gedaagde] bezwaar heeft tegen het delen van de gegevens.
2.11.
Op 22 juni 2023 stuurt de gemachtigde van [eisers] een aangetekende brief naar [gedaagde] en wijst hij haar op de schuldhulpverlening van de gemeente [gemeente] . De gemachtigde vraagt [gedaagde] of zij wil dat hij haar contactgegevens aan de gemeente verstrekt. Een reactie van [gedaagde] blijft uit.
3. Het geschil
3.1.
[eisers] vorderen samengevat - dat de voorzieningenrechter bij vonnis in kort geding, zo mogelijk uitvoerbaar bij voorraad, [gedaagde] veroordeelt:
om binnen 48 uur na betekening van het te wijzen vonnis het gehuurde aan [adres het gehuurde] te verlaten en ontruimen;
om aan [eisers] te voldoen het bedrag van € 7.979,26, te vermeerderen met de reeds verschenen wettelijke rente;
tot betaling van de maandelijks verschuldigde huurprijs van € 962,01 tot aan de dag van de ontruiming van het gehuurde, vermeerderd met de wettelijke rente over dat bedrag per betalingsperiode;
tot betaling van de proceskosten, te vermeerderen met de na het vonnis te maken kosten van tenuitvoerlegging waaronder de eventuele ontruimingskosten.
3.2.
[eisers] leggen aan de vordering samengevat ten grondslag dat [gedaagde] sinds november 2022 ernstig en structureel tekortschiet in de nakoming van haar verplichtingen uit de huurovereenkomst door de huur niet tijdig en volledig te betalen. Gelet op de hoogte van de huurachterstand en het betaalgedrag van [gedaagde] ligt het in lijn der verwachtingen dat zij ook in de toekomst haar huur niet tijdig en volledig zal voldoen. De tekortkoming van [gedaagde] rechtvaardigt ontbinding van de huurovereenkomst. [eisers] hebben een spoedeisend belang om in deze procedure reeds de ontruiming van het gehuurde te vorderen, net als betaling van de huurachterstand en betaling van de huur tot aan de dag van ontruiming.
3.3.
[gedaagde] voert verweer.
3.4.
Op de stellingen van partijen wordt hierna, voor zover van belang, nader ingegaan.

4.De beoordeling

4.1.
Het spoedeisend belang van de vordering vloeit voort uit de stellingen van [eisers]
4.2.
Voor toewijzing van een vordering tot ontruiming is slechts plaats indien met een grote mate van waarschijnlijkheid in een bodemprocedure de ontbinding van de huurovereenkomst zal worden uitgesproken. De voorzieningenrechter stelt voorop dat een bij voorlopige voorziening bevolen ontruiming een maatregel is die diep ingrijpt in het gebruiksrecht en de daarmee verbonden huurbescherming van de huurder. Bij de beoordeling van een dergelijke vordering moet - volgens vaste jurisprudentie - grote terughoudendheid worden betracht, gelet op de omstandigheid dat in een kort gedingprocedure geen plaats is voor een - diepgaand - onderzoek naar bestreden feiten en ten tweede de vergaande, veelal onomkeerbare gevolgen van een ontruiming in kort geding, zoals in deze zaak aan de orde is. Er moet sprake zijn van een zodanig ernstige tekortkoming dat het belang van de verhuurder om over een vrije woning te beschikken moet prevaleren boven het belang van de huurder om in de woning te blijven.
4.3.
Iedere tekortkoming van de huurder in de nakoming van een van zijn verplichtingen kan leiden tot gehele of gedeeltelijke ontbinding van de overeenkomst, tenzij de tekortkoming gezien haar bijzondere aard of geringe betekenis deze ontbinding met haar gevolgen niet rechtvaardigt (artikel 6:265 lid 1 BW Pro). Het (tijdig) betalen van huur is een van de essentiële verplichtingen voortvloeiende uit de huurovereenkomst. Niet in geschil is dat sprake is geweest van een tekortkoming van [gedaagde] . [eisers] hebben immers onweersproken gesteld dat de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding € 7.979,26 bedroeg. De vraag is of de tekortkoming voldoende ernstig is om ontbinding van de huurovereenkomst te rechtvaardigen. Bij de beoordeling hiervan moet rekening worden gehouden met alle omstandigheden van het geval. De hoogte van de huurachterstand ten tijde van de dagvaarding rechtvaardigt in beginsel de ontbinding van de huurovereenkomst. Tijdens de zitting is echter gebleken dat [gedaagde] de dag vóór de zitting de huurachterstand volledig heeft voldaan. Hoewel dit de eerdere tekortkoming niet ongedaan maakt, is de omvang van de huurachterstand ten tijde van de zitting (nihil) naar het oordeel van de kantonrechter in relatie tot het (woon)belang van [gedaagde] te gering om ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming van het gehuurde te rechtvaardigen. Betrokken wordt ook dat [gedaagde] tijdens de zitting heeft verklaard dat haar uitkering vanaf januari 2023 onterecht is stopgezet en dat zij dat geld alsnog krijgt van de gemeente, dat zij via het Werkbedrijf bezig is met het vinden van een nieuwe baan en dat haar partner haar financieel ondersteunt. Gelet hierop wordt de gevorderde ontruiming afgewezen. Aangezien ten tijde van de zitting geen sprake meer was van een huurachterstand komt de vordering onder 2., met uitzondering van de wettelijke rente tot 28 september 2023, evenmin voor toewijzing in aanmerking. De met de ontruiming verband houdende nevenvordering onder 3. wordt eveneens afgewezen. De voorzieningenrechter wijst [gedaagde] erop dat zij zich ook in de toekomst stipt aan haar verplichting moet houden om de huur tijdig en volledig te voldoen.
4.4.
[gedaagde] heeft de huurachterstand pas daags voor de zitting ingelopen. Kennelijk was het nodig om een procedure te starten om haar tot betaling te bewegen. [gedaagde] moet daarom de proceskosten betalen. Tot aan dit vonnis worden de proceskosten aan de zijde van [eisers] als volgt vastgesteld:
- kosten van de dagvaarding
131,07
- griffierecht
86,00
- salaris gemachtigde
529,00
Totaal
746,07
4.5.
De gevorderde nakosten worden toegewezen tot een half salarispunt van het toegewezen salaris met een maximum van € 132,00, te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis. Eventuele ontruimingskosten zijn niet aan de orde, omdat de vordering tot ontruiming wordt afgewezen.

5.De beslissing

De kantonrechter
5.1.
veroordeelt [gedaagde] tot betaling aan [eisers] van de wettelijke rente over € 7.979,26, te berekenen per datum van de verstreken huurbetalingstermijnen en lopende tot 28 september 2023;
5.2.
veroordeelt [gedaagde] in de proceskosten, aan de zijde van [eisers] tot dit vonnis vastgesteld op € 746,07, en € 132,00 aan kosten die na dit vonnis zullen ontstaan
,te vermeerderen, indien betekening van het vonnis heeft plaatsgevonden, met de explootkosten van betekening van het vonnis;
5.3.
verklaart dit vonnis wat betreft de onder 5.1. en 5.2. genoemde beslissingen uitvoerbaar bij voorraad;
5.4.
wijst het meer of anders gevorderde af.
Dit vonnis is gewezen door mr. R.J.J. van Acht en in het openbaar uitgesproken op 26 januari 2024.
398 \ 41245