Uitspraak
RECHTBANK Gelderland
1.De procedure
- het verkort proces-verbaal van de mondelinge behandeling van 6 maart 2024.
Rechtbank Gelderland
Partijen, ex-echtgenoten, zijn in 2003 gehuwd en in 2011 gescheiden. De man kocht in 2004 99/100ste deel van de woning, waarin zij met kinderen en moeder van de man woonden. Na de echtscheiding bleef de man met de kinderen en moeder in de woning wonen, terwijl de vrouw elders ging wonen. In 2022 bleek dat het Nederlandse huwelijksvermogensrecht van toepassing was en dat de woning nog verdeeld moest worden.
De man vorderde dat de vrouw haar aandeel in de woning aan hem zou overdragen tegen de waarde van 2011, met vergoeding van onderwaarde, vergoedingsrechten en eigenaarslasten. De vrouw wilde de woning ook aan de man toewijzen, maar tegen de huidige waarde en betwistte de vergoedingsrechten en stelde verjaring in voor de eigenaarslasten.
De rechtbank oordeelde dat de peildatum voor waardering de datum van verdeling is, tenzij anders overeengekomen, en dat partijen onvoldoende reden hadden om van deze hoofdregel af te wijken. De huidige marktwaarde van €230.000 werd gehanteerd. De man had recht op vergoeding van aflossingen en investeringen, maar niet voor een tweede lening die niet voor de woning was gebruikt. De vrouw werd ontslagen uit hoofdelijke aansprakelijkheid en partijen hebben niets meer aan elkaar te voldoen. De proceskosten werden gecompenseerd.
Uitkomst: De woning wordt aan de man toegedeeld tegen de huidige waarde met ontslag van de vrouw uit hoofdelijke aansprakelijkheid, waarbij partijen niets meer aan elkaar verschuldigd zijn.