Rechthebbende was onder bewind gesteld wegens zijn geestelijke of lichamelijke toestand van 17 april 2018 tot 1 mei 2023. Tijdens een detentieperiode van circa twee jaar heeft de bewindvoerder nagelaten om de kantonrechter tijdig te informeren over deze detentie, terwijl dit op grond van artikel 1:446a BW verplicht is. Hierdoor is het bewind onnodig voortgezet, ondanks dat er geen inkomen was en de bewindvoerder geen werkzaamheden kon verrichten.
Rechthebbende vorderde terugbetaling van de kosten die ten onrechte in rekening zijn gebracht gedurende de detentieperiode. De kantonrechter oordeelde dat de bewindvoerder niet heeft gehandeld zoals een goed bewindvoerder betaamt, omdat zij niet tijdig heeft gemeld dat voortzetting van het bewind niet zinvol was. De rekening en verantwoordingen konden niet als melding gelden en de bewindvoerder heeft ook niet op vragen gereageerd.
De kantonrechter stelde vast dat de bewindvoerder schadevergoeding moest betalen ter hoogte van €3.898,56, de kosten die onterecht in rekening zijn gebracht. Daarnaast werden klachten over het voortijdig incasseren van kosten en het niet behoorlijk beheer van de gelden gegrond verklaard. De beslissing is gegeven door kantonrechter T.I. Spoor op 12 april 2024.