De zaak betreft een geschil tussen een verhuurder en een huurder over de beëindiging van een huurovereenkomst van een bedrijfsruimte. De huurovereenkomst was schriftelijk vastgelegd voor vijf jaar, maar de huurder stelt dat er een mondelinge afspraak is gemaakt met de opvolgend verhuurder dat tussentijdse opzegging te allen tijde mogelijk was. De verhuurder betwist dit en stelt dat de huurder de huur sinds november 2022 niet meer heeft betaald.
De huurder vordert vernietiging van de huurovereenkomst wegens dwaling en vergoeding van gemaakte kosten, terwijl de verhuurder ontbinding van de huurovereenkomst en ontruiming vordert. De kantonrechter oordeelt dat het beroep op dwaling niet slaagt omdat de huurovereenkomst met de vorige eigenaar is gesloten en de dwaling niet aan de huidige verhuurder kan worden toegerekend.
De kantonrechter wijst een bewijsopdracht toe aan de huurder om aan te tonen dat er een mondelinge afspraak was over tussentijdse opzegging en dat de huurovereenkomst op 31 augustus 2022 is opgezegd. Tevens wordt de huurder in de gelegenheid gesteld zich schriftelijk uit te laten over de gevolgen van haar opheffing per 3 november 2023. De ontruiming van een ontvangstbalie in het gehuurde wordt toegewezen. De procedure wordt aangehouden voor verdere beslissing.