Uitspraak
1.De procedure
- het schriftelijke wrakingsverzoek van 13 maart 2024;
- het proces-verbaal van de mondelinge behandeling op 12 maart 2024, met daarbij de spreekaantekeningen.
Rechtbank Gelderland
Verzoekster diende een wrakingsverzoek in tegen de rechter in een civiele procedure, stellende dat de rechter niet correct bejegende, onduidelijk was over de procedurevorm, en niet adequaat op vragen en klachten inzake vermeende fraude inging.
De wrakingskamer oordeelde dat klachten over bejegening niet via wraking kunnen worden behandeld, maar via een klacht bij het gerechtsbestuur. Er waren geen concrete feiten die een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleverden.
Ook de procesbeslissingen van de rechter, zoals de keuze voor een verzoekschriftprocedure in plaats van kort geding, en het niet stellen van bepaalde vragen aan de tegenpartij, rechtvaardigen geen wraking. De rechter hoefde niet te reageren op het wrakingsverzoek en hoefde niet bij de wrakingszitting aanwezig te zijn.
Het wrakingsverzoek werd daarom afgewezen en deze beslissing is definitief.
Uitkomst: Het wrakingsverzoek tegen de rechter wordt afgewezen wegens het ontbreken van gegronde aanwijzingen voor rechterlijke vooringenomenheid.