In deze zaak verzoekt ING Bank N.V. verlof voor onderhandse executieverkoop van een woning gelegen aan een adres, kadastraal bekend in een gemeente, vanwege niet-nakoming van een hypothecaire geldlening door verweerder en belanghebbende 1. De woning wordt gezamenlijk bewoond en eigendom is verdeeld in onverdeelde helft.
De schuld bedroeg in november 2023 ruim €469.000 inclusief betalingsachterstand die inmiddels is opgelopen tot ruim €16.000. Een taxateur heeft de executiewaarde bepaald op €510.000. De openbare executieverkoop was gepland op 15 februari 2024, maar er is een hoger bod van €591.000 gedaan door belanghebbende 2, met wie een koopovereenkomst is gesloten.
Verweerder voert verweer tegen de gedwongen verkoop, onder meer dat deze disproportioneel is en dat er sprake is van schending van zorgplicht door verzoekster. De rechtbank oordeelt dat het toetsingskader beperkt is tot de vraag of de koopprijs de verwachte veilingopbrengst overtreft, wat hier het geval is. Verweerder betwist de executiewaarde niet en er is geen reden om de onderhandse verkoop als disproportioneel te beschouwen.
Het verzoek tot onderhandse verkoop wordt daarom toegewezen en verweerder en belanghebbende 1 worden veroordeeld tot ontruiming van het registergoed uiterlijk op de datum van levering. De proceskosten worden gecompenseerd, waarbij elke partij de eigen kosten draagt.