Verzoeker diende een wrakingsverzoek in tegen een rechter van de rechtbank Gelderland, werkzaam in een kort geding tussen verzoeker en Arag. Verzoeker stelde dat de rechter zich had moeten verschonen vanwege haar lidmaatschap van het gerechtsbestuur en uitlatingen van verzoeker over de rechtbank en haar leden.
De wrakingskamer onderzocht het verzoek aan de hand van de wettelijke criteria voor rechterlijke onpartijdigheid. Er is een sterke vermoeden van onpartijdigheid, en alleen bijzondere omstandigheden kunnen dit vermoeden doorbreken. Verzoeker moest concrete feiten aanvoeren die een objectief gerechtvaardigde schijn van vooringenomenheid opleveren.
De kamer concludeerde dat het lidmaatschap van het gerechtsbestuur en de uitlatingen van verzoeker over de rechtbank en haar president geen aanleiding geven tot een schijn van vooringenomenheid. Deze omstandigheden zijn onvoldoende zwaarwegend om het wrakingsverzoek te honoreren.
Daarom wees de wrakingskamer het verzoek af. Tegen deze beslissing is geen rechtsmiddel mogelijk. De beslissing werd op 14 mei 2024 in openbaar uitgesproken door de wrakingskamer van de rechtbank Gelderland te Arnhem.