Uitspraak
- “de hoeveelheid verbruikt hout en het aantal branduren zijn aannemelijk
- uit de nieuwe berekeningen van de geurconcentraties met alleen de bronnen van [bedrijf] blijkt, dat in ‘worst case (alleen bij slechte verbranding)’ de resultaten vergelijkbaar zijn met die vastgesteld in de adviesnotitie ADV-21-01a. Voor de overschrijding van de 99,9-percentielwaarde is het aan [gemeente] om te bepalen of ze dit aanvaardbaar vinden.
- ten aanzien van de bijdrage aan de fijn stof concentratie op leefniveau is de bijdrage op basis van de houtstook bij [bedrijf] (worst case bij slechte verbranding) minimaal.”
I. Beroep gegrond
II. Vervolgbesluitvorming
“geen reden is om aan te nemen dat er sprake is van een onaanvaardbare mate van geurhinder.”Het college onderbouwt dit met zowel berekeningen van de geurhinder op grond van een model, als met daadwerkelijke controles gedurende twee weken in 2019. Het college concludeert dan als volgt:
“STAB stelt voor dat getoetst wordt aan een geurimmissie van 0,5 ouE/m3 als 98 percentiel indien men naast hinder tevens gezondheidsschade wil voorkomen. Deze 98 percentielwaarde geldt in combinatie met een piekimmissiewaarde van 2,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel. Wil men beschikken over een grenswaarde die gericht is op het voorkomen van geurhinder door houtstook, dan stelt STAB een immissiewaarde voor van 1,0 ouE/m3 als 98 percentiel in combinatie met een piekimmissiewaarde van 4,0 ouE/m3 als 99,9 percentiel.
“De 98-percentielwaarde wordt niet overschreden. De 99,9-percentielwaarde wordt weliswaar overschreden. Maar dit betekent dat er in 0,1 procent van de tijd (maximaal 9 uur per jaar) sprake is van een hinderlijke houtrookgeur. En alleen als er sprake is van een continu slechte verbranding (wat niet het geval zal zijn, omdat er alleen droog hout wordt verstookt).”