Uitspraak
RECHTBANK GELDERLAND
1.[gedaagde sub 1] ,
2.
[gedaagde sub 2],
Rechtbank Gelderland
De zaak betreft een civiele procedure tussen Intrum Nederland B.V., als rechtsopvolger van DSB Bank N.V., en twee gedaagde partijen die een overeenkomst van doorlopend krediet zijn aangegaan in 2002. De gedaagde partijen zijn niet verschenen, waarna verstek is verleend.
De eisende partij vordert betaling van €12.500, vermeerderd met wettelijke rente vanaf de dagvaarding. De kredietovereenkomst valt onder de oude Wet op het consumentenkrediet (WCK oud). De kantonrechter wijst de vordering toe, maar beperkt de vertragingsvergoeding tot de periode vóór de opeising van het krediet op 1 mei 2013, omdat de kredietvoorwaarden een vertragingsvergoeding na opeising uitsluiten.
De kantonrechter veroordeelt de gedaagde partijen hoofdelijk tot betaling van de hoofdsom en rente, en in de proceskosten. Het meer of anders gevorderde wordt afgewezen. Het vonnis is uitvoerbaar bij voorraad en is gewezen door mr. D. Vergunst op 10 april 2024.
Uitkomst: Gedaagde partijen worden hoofdelijk veroordeeld tot betaling van €12.500 plus wettelijke rente en proceskosten.